Nederland is kampioen in flexwerken. Is dat erg?

Drie vragen over flexwerk Het aantal flexwerkers in Nederland steeg de afgelopen vijftien jaar met 856.000 tot bijna 2 miljoen. Is dat erg?

Foto ANP

Flexibilisering van de arbeidsmarkt is een onomkeerbaar, rationeel en economisch proces, zeggen werkgevers – de ‘flexibele schil’ is onmisbaar. Doorgeschoten marktdenken, noemen vakbonden dat. Zij wijzen al jaren op de nadelen van al dat flexwerk: flexibele contracten worden vaak afgewisseld met periodes van werkloosheid, onzekerheid leidt tot stress, het loon voor tijdelijke arbeid ligt nog altijd lager.

Ondertussen flexibiliseert Nederland rustig door. Bijna twee op de tien 25- tot 45-jarigen waren in 2017 werkzaam als tijdelijk werknemer, oproep- of uitzendkracht of stagiair. In 2003 was dit nog één op de tien, meldde het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) maandag. Het aantal werknemers met een ‘flexibele arbeidsrelatie’ steeg de afgelopen vijftien jaar met 856.000 tot bijna twee miljoen, vorig jaar had bijna een kwart van de werkzame beroepsbevolking een flexibel contract – zzp’ers nog niet meegerekend.

Dat het aantal flexwerkers blijft stijgen is deels toe te schrijven aan de relatief zware ontslagbescherming bij een vast contract in Nederland – vast is écht vast. Maar ook de brede acceptatie van flexwerk in ons land helpt mee. We hebben een assortiment: van payrollconstructies tot nulurencontracten en uitzendwerk.

1. Hoe ‘flex’ is Nederland in Europa?

Nederland is Europees kampioen flexwerken, roepen vakbonden regelmatig. Al is het lastig na te gaan of dat klopt. Volgens cijfers van Eurostat uit 2016 hadden Polen, Griekenland, Spanje en Portugal een groter aantal tijdelijke werknemers en zzp’ers dan Nederland. Maar oproep- en uitzendkrachten werden daarbij niet meegerekend, waardoor het Nederlandse cijfer een stuk lager uitkwam dan het door het CBS berekende aantal flexwerkers.

Bovendien bleek uit de Eurostat-cijfers ook: Nederland behoort tot de grootste groeiers binnen de Europese Unie – 7 procentpunt in de afgelopen tien jaar. Alleen in Slowakije groeide het aantal flexibele krachten harder. Volgens de OESO, de organisatie voor rijke industrielanden, heeft alleen Spanje met 24 procent van de beroepsbevolking meer flexwerkers dan Nederland (21,7 procent).

2. Is de toename van het aantal flexwerkers erg?

Vanuit economisch perspectief niet, zegt Ton Wilthagen, hoogleraar arbeidsmarkt aan Tilburg University. Zonder flexwerk waren er minder banen bij gekomen.

Maar de groei heeft ook een keerzijde: er ontstaat een tweedeling op de arbeidsmarkt tussen werknemers met de zekerheid van een vast contract en werknemers die van het ene naar het andere tijdelijke contract hoppen.

Volgens Wilthagen wordt gelijk werk op die manier niet gelijk beloond. „Een flexwerker verdient gemiddeld minder, kan geen aanspraak maken op een sociaal plan en heeft bovendien minder toegang tot scholing.”

Dat gaat op de lange termijn ten koste van (persoonlijke) ontwikkeling. „Het is alsof je van een voetbalelftal vier spelers niet mee laat trainen, maar wel verwacht dat ze winnen”, zegt Wilthagen. En dat is uiteindelijk ook slecht voor de Nederlandse economie.

Daarbij is de flexwerker ook op andere maatschappelijke terreinen in het nadeel: een hypotheek krijgen is bijvoorbeeld een stuk lastiger zonder vast contract.

3. Is het tij eigenlijk nog te keren?

De kans dat werkgevers en bonden het eens gaan worden over een wet om „de arbeidsmarkt in balans te brengen”, acht hoogleraar Wilthagen klein. Liever spreekt hij zelfs van een impasse. „Het duurt nu al zo lang.”

Bovendien is het invoeren van losse maatregelen in Nederland niet altijd even effectief, omdat ons land zoveel verschillende constructies voor tijdelijke arbeid kent. Werkgevers vinden vaak toch wel een manier om het vaste contract te omzeilen. Terwijl de oplossing eigenlijk heel simpel is, zegt Wilthagen. „Vast minder vast maken, en flex minder flex.”

    • Anne Corré
    • Annemarie Sterk