Recensie

Gilels’ pianospel is van een tijdloze adeldom

Op een ochtend ontwaakte het Oekraïense wonderkind Emil Gilels (1916-1985) in het besef dat het niet altijd zondag is. „Daarna kwamen de vele maandagen”, zei de pianist. Zijn virtuositeit stond sindsdien in dienst van de zoektocht naar pure eenvoud. Tegen de Nederlandse muziekjournalist Jan de Kruijff vertelde Gilels – twee jaar voor zijn dood – over zijn ontdekking en geloof dat muziek „verwant is aan poëzie, schilderkunst en dat grote begrip filosofie”.

De gouden toon van deze diepzinnigheid weerklinkt tijdens live-opnamen van de vijf recitals die „de kleine reus” speelde in het Amsterdamse Concertgebouw tussen 1975 en 1980. Hoewel hij als Sovjet-musicus politiek besmet was (Stalin stelde: „Hitler heeft zijn Goebbels, ik heb mijn Gilels”), straalde zijn pianospel in die latere jaren tijdloze adeldom uit, alsof hij zich had teruggetrokken in een innerlijk bastion van menselijkheid. De Amsterdamse recitals vormen daar indrukwekkend bewijs van.