Opinie

    • Ellen Deckwitz

Decennia

Gisteren droomde ik dat ik weer in de brugklas zat en het was geen feest: alle onzekerheden kwamen terug, al het gepieker. Ik wist opeens weer hoe het was om te twijfelen over je populariteit, je cijferlijst, je borstomvang, je geaardheid. De paniek als de Clearasil bijna op was. Bij het ontwaken was ik voor het eerst in decennia dik tevreden met mijn leeftijd.

De droom spookte de rest van mijn dag door mijn hoofd. ’s Middags zag ik een van mijn lievelingsmensen, schrijver Edward van de Vendel, en ik vertelde hem over mijn droom, over hoe erg mijn eerste jaren op de middelbare waren.

„O ja, de onderbouw, vond ik ook vreselijk”, zei hij. „Het was opeens ieder voor zich, het voelde zo onveilig. Plots was alles hiërarchisch; bovenaan de populairen, beneden de gepesten. Ik behoorde tot mijn vijftiende tot de onzichtbaren, niemand viel mij lastig, maar er was altijd die dreiging dat ze je toch te grazen zouden nemen.”

Dat herkende ik. En het frustrerende was dat je daar totaal geen controle over had. Een jongen die in de eerste de baas was, werd in de derde gepest omdat hij de baard nog niet in de keel had.

„Wat ik zo’n heftig idee vind”, zei ik, „is dat je lichaam zo’n grote rol speelt in of je wel of niet wordt gepest. Uit onderzoek blijkt dat kinderen die vroeg in de puberteit komen, veel minder worden getreiterd. Het lijkt zo lukraak, terwijl de gevolgen van pesten een leven lang kunnen duren.”

Hij knikte.

‘Als brugklasser drong tot me door hoe wreed en willekeurig de wereld is, hoe hard we tegen elkaar kunnen zijn. Dat voelde even heel machteloos, tot ik bedacht dat we desondanks de keuze hebben om aardig te zijn. Dat is eigenlijk het enige wat je kan doen.”

Was het inderdaad zo eenvoudig? Aardig doen zou in ieder geval minder heibel opleveren dan iemand in elkaar beuken, en het was daardoor ook nog eens beter voor je no-claim.

Die avond dacht ik aan hoe weinig ik in die periode tegen mijn ouders zei. Mijn vader noemde me op een zeker moment zelfs de Oester. Maar ja, dacht ik, ik moest wel gesloten zijn, om alle indrukken die overdag op me afkwamen te verwerken, al het zand tot barokparels te vervormen: weliswaar asymmetrisch maar ook glanzend.

Van oesters weet ik trouwens ook dat lang niet al het vuil in een parel verandert. Het grootste deel wordt opgenomen in de schelp zelf, en beschermt daardoor het weekdier. Van gevaar maakt de oester een schild. Maar dat kost jaren. Decennia.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.

    • Ellen Deckwitz