De verbale trucs die Rutte moeten redden

Debat dividendbelasting Al bijna acht jaar lang redt de premier zich behendig uit de problemen. Opgewekt, vergeetachtig, of juist door zich als staatsman op te stellen. Pas als hij voelt dat hij verliest, wordt hij kribbig.

Mark Rutte is de onbetwiste meester van het woordenspel. Voor iedere netelige situatie heeft de premier een setje retorische trucs voorhanden. Al bijna acht jaar komt hij ermee weg, in bijna ieder groot debat. Maar zijn behendigheid met het gesproken woord keert zich ook weleens tegen hem – zoals nu in de kwestie rond de achtergehouden dividendmemo’s. Dan ontstaat er irritatie: waarom probeert die gladde premier zich overal onderuit te kletsen?

Deze woensdag debatteert Rutte opnieuw met de Tweede Kamer over de afschaffing van de dividendbelasting – en zijn geloofwaardigheid staat serieus op het spel. Zijn verbale gereedschapskist zal hij meer dan ooit nodig hebben. Je zag het hele repertoire voorbijkomen in de belangrijke debatten van het afgelopen jaar. Dit zijn vier van Ruttes meest gebruikte tactieken.

Lees meer over het dossier: nu bekend is dat er wel memo’s zijn, is dividendbelasting is een blok aan het been van Rutte II geworden

1. De opgewekte Rutte

Hoe meer zijn tegenstanders in het debat zich opwinden, hoe opgewekter en laconieker Rutte gaat praten. Het beoogde resultaat: zij komen over als boos en verontwaardigd, hij als opgewekt en geestig – met wel een cynische ondertoon in zijn antwoorden.

Deze tactiek hanteert Rutte in het eerste debat over de dividendbelasting, afgelopen november. Het is Rutte tegenover de leiders van GroenLinks, SP en PvdA. Naarmate het einde van het debat nadert, wordt Ruttes houding steeds meer het spiegelbeeld van zijn verontwaardigde tegenstanders.

Als Lodewijk Asscher (PvdA) de argumenten van Rutte over bedrijven die Nederland misschien verlaten „ingebeelde dreiging” noemt, zegt de premier: „Ik stel vast dat ik de heer Asscher nog niet helemaal heb overtuigd van de zegeningen van dit voorstel.”

Toenmalig SP-fractievoorzitter Emile Roemer begint over „sprinkhaan-aandeelhouders” die voor lage lonen pleiten en willen dat onderdelen van bedrijven worden verkocht. Dáár wil hij het over hebben met de premier: „Maar die schuift het gewoon opzij. […] Hij ontkent het gewoon en gaat verder met een totaal ander antwoord”, zegt Roemer.

En Rutte? Die zegt: „Nee voorzitter, hier is de heer Roemer echt in een donker bos de weg kwijt.”

2. De vergeetachtige Rutte

Rutte kondigde het dinsdag al aan in het vragenuur in de Tweede Kamer – en hij zal het in het debat van woensdag blíjven herhalen: hij heeft „géén herinnering aan een memo” over de dividendbelasting tijdens de formatie. „Naar eer en geweten.”

Het feilbare – of in Ruttes geval: overbezette – geheugen is een klassieke politieke truc. Als je niet wilt jokken, zeg je dat je het niet meer weet. Als Rutte deze verdedigingslijn kiest, spitsen zijn politieke tegenstanders de oren: de premier staat immers bekend om zijn fenomenale geheugen.

Rutte tilt deze truc nog een niveautje hoger. Door zijn gebrekkige geheugen, zei hij bij het Vragenuur, heeft hij „onbedoeld de suggestie gewekt dat er helemaal geen stukken over de dividendbelasting ten behoeve van de formatie zouden zijn.” Dat heeft tot „verwarring” geleid. En daarom heeft hij besloten „een eenmalige uitzondering te maken” en de documenten vrij te geven. De eigen tekortkoming als opmaat naar een groots gebaar.

Rutte hanteert dezelfde tactiek in het debat over het aftreden van Halbe Zijlstra (VVD) als minister van Buitenlandse Zaken, in februari. Rutte wist al enkele weken van Zijlstra’s datsjaleugen toen die naar buiten kwam. Heeft Rutte die bekentenis van Zijlstra nog intern met iemand besproken, wil Lodewijk Asscher weten.

„Ja, misschien binnen Algemene Zaken. Dat weet ik eigenlijk niet zeker.”

Asscher „Dat weet u wel zeker.”

Rutte: „Nee, dat weet ik absoluut niet. Het is wat ik u zeg.”

Hij vervolgt: „Mijn politieke loopbaan is een aaneenschakeling van inschattingsfouten.” Nederig: „Die worden mij ook regelmatig en terecht door mijn politieke tegenstanders in het gezicht geduwd.” Eén van die fouten, zegt Rutte, was dat hij onvoldoende inzag hoe politiek explosief Zijlstra’s leugen over zijn aanwezigheid in de datsja van Poetin was. En precies daarom heeft hij „geen actieve herinnering met wie ik dat nou precies besproken heb”. De cirkel is rond.

3. Rutte de staatsman

Stel Rutte een kritische vraag of trek een van zijn besluiten in twijfel, en de kans is groot dat het antwoord van de premier zo begint: „U kunt dit zeggen, maar ík heb een ander belang.” En dat belang is altijd een hoger doel: het land beter maken, banen scheppen voor gewone mensen, „onze manier van leven” beschermen. De boodschap: ik ben de hoeder van het staatsbelang, jullie critici dienen een deelbelangetje.

Eén stap verder is het dreigende toekomstscenario. Deze tactiek gebruikt Rutte al sinds het begin om de afschaffing van de dividendbelasting te verdedigen. „Als we dit niet doen, gaat dit ten koste van de werkgelegenheid,” zegt hij in november in het debat over de regeringsverklaring. „Dan krijgen we wat ook in België is gebeurd, waar, op InBev na, alle grote bedrijven inmiddels weg zijn.” En even later: „Als je stilzit, neem je een onverantwoord risico met Nederlandse banen.”

Rutte zette ook vol in op het gevaarlijke toekomstscenario toen eind vorige week bekend werd dat er toch memo’s zijn over de dividendbelasting – en de oppositie meteen om openbaarmaking riep. Dat zou een gevaarlijk precedent zijn, aldus Rutte. Dan is het gedaan met de vertrouwelijkheid van kabinetsformaties – en kan in de toekomst geen behoorlijk kabinet meer worden geformeerd.

Maar als hij in moeilijkheden raakt is Rutte plots heel flexibel. En blijkt het gevaar ineens toch minder groot. De interne stukken konden toch openbaar gemaakt worden, besloten de coalitiepartijen afgelopen maandag. Al kon Rutte het niet nalaten om te waarschuwen: het was een „eenmalige uitzondering”. Anders worden kabinetsformaties in dit land „onmogelijk”.

4. De verliezende Rutte

Heel af en toe lukt het Rutte niet om soeverein te blijven in een debat, al zijn verbale behendigheid ten spijt. Je merkt het meteen wanneer het zover is: in plaats van hetzelfde verhaal steeds opnieuw te vertellen, telkens nét anders, verwijst hij afgemeten naar een vorig antwoord.

In de nazomer van 2015 heeft Rutte zo’n debat. De Europese Unie is akkoord gegaan met opnieuw een lening aan Griekenland, ook al heeft Rutte jaren eerder beloofd dat er „geen cent meer naar de Grieken” zou gaan. De premier is slecht op zijn gemak. Hij heeft al toegegeven dat hij de belofte heeft verbroken, maar volgens toenmalig ChristenUnie-leider Arie Slob creëert de premier „een sfeertje” alsof hij die belofte had gedaan op inhoudelijke gronden, „terwijl we allemaal weten dat hij die belofte heeft gedaan op electorale gronden”.

Rutte reageert bozig: „Zoals de waard is, vertrouwt hij zijn gasten.”

Nu is het zijn tegenstander die rustig blijft: „Ik vraag de minister-president om dat toe te lichten.”

Rutte: „Ik heb het nu al vijf, zes keer uitgelegd.” En al kan hij Slob kennelijk niet overtuigen: „Ik geef het antwoord dat ik geef.”

Bij een volgend, in zijn ogen ontwijkend antwoord, zegt Jesse Klaver (GroenLinks): „Niet wegzwijnen, minister-president. U probeert nu achteraf iets goed te praten wat eigenlijk niet goed te praten valt.”

Met Rutte komt het in dat debat niet meer goed. Redt hij het in het debat van deze woensdag wél?

    • Petra de Koning
    • Thijs Niemantsverdriet