De Belgische docu groeit en bloeit

Achtergrond De droogkomische documentaire ‘So Help Me God’ is een verrassend grote hit in Belgische bioscopen. Hoe staat de Belgische documentaire ervoor?

Onderzoeksrechter Anne Gruwez onderweg in Brussel in ‘So Help Me God’.

Met zo’n 65.000 bezoekers is de droogkomische rechtbankdocumentaire So Help Me God onder z’n oorspronkelijke Franse titel Ni juge, ni soumise in België een van de grootste bioscoopverrassingen van dit jaar. Niet slecht voor een regisseursduo dat tot nu toe vooral bekendheid verwierf met de cult-tv-documentairereeks Strip-tease. Net als in Nederland speelt ook in België de televisie een belangrijke rol bij de productie van documentaires, en net zoals hier bereiken lang niet alle documentaires de bioscoop.

Door z’n twee taalgebieden en twee filmfondsen is de documentaire bovendien minder verankerd in de bioscoop dan in Nederland. Maar door de grote hoeveelheid coproducties met Nederland krijgen we hier toch vaak het beste uit België wel te zien. Na So Help Me God wordt deze zomer ook de andere grote Belgische documentairehit van het afgelopen jaar verwacht: het Vlaamse Rabot van Christina Vandekerckhove, over de ontruiming en afbraak van een karakteristiek Gents woonblok; een trieste raamvertelling over de verschoppelingen van de welvaart.

In België zelf kwamen er de afgelopen vijf jaar gemiddeld zo’n vijf Vlaamse bioscoopdocu’s per jaar in de filmzalen. Daaronder titels die ook in Nederland te zien waren zoals het samen met de Nigeriaanse auteur Ben Okri geschreven N – The Madness of Reason (2014) van Peter Krüger – ook een van de belangrijkste non-fictieproducenten in België – en Shadow World (2016) over de internationale wapenhandel, van Johan Grimonprez. Dat zijn films die ook een fikse internationale festivalcarrière hadden. Het aantal Franstalige lange documentaires met bioscooprelease in België lag in diezelfde periode flink lager, op gemiddeld twee per jaar.

Lees hier de recensie van ‘So Help Me God’

Ondanks de bescheiden productieaantallen worden Belgische documentaires over het algemeen internationaal goed opgepikt. De hybride documentaire animatiefilm Another Day of Life, naar het Angolese reisverslag van de Poolse journalist Ryszard Kapuscinski, werd geselecteerd voor het filmfestival van Cannes. En de korte documentaire Our Song To War over slavenhandel in Colombia van Juanita Onzaga werd geselecteerd voor het bijprogramma Quinzaine des Réalisateurs in Cannes.

Dat zijn vaak films die zich op de grens van genres bewegen, en expressieve vormen kiezen. The Land of the Enlightened (2016) van Pieter-Jan de Pue vertelt het verhaal over de oorlog in Afghanistan in sterke, bijna mythische beelden door de ogen van kinderen die De Pue daar leerde kennen tijdens zijn werk als fotograaf voor onder andere de Verenigde Naties en het Internationale Rode Kruis.

In de films uit Wallonië is de documentairetraditie meer verweven met sociaal-realistische films uit de school van de broers Dardenne, die hun carrière als documentairemakers begonnen. Er is veel aandacht voor het leven in de oude mijnstreken en voor sociale thema’s, zoals in Enfants du Hasard (2017), waarin migrantenkinderen gedurende een schooljaar worden gevolgd. Op IDFA was afgelopen jaar ook het Waalse Burning Out (2016) te zien, over de werkdruk van artsen in grote ziekenhuizen. Een ander terugkerend onderwerp zijn de gevolgen van het koloniale verleden. Niet alleen in het al eerder genoemde The Madness of Reason, maar ook Inkotanyi (2017) van Christophe Cotteret, dat diepgravend speurwerk doet naar de oorzaken en gevolgen van de Rwandese genocide.

    • Dana Linssen