Wie krijgt al die extra miljoenen voor onderwijs?

achterstanden

Geld voor het wegwerken van achterstanden in het onderwijs moet eerlijker worden verdeeld. Maar elke verdeeloptie kent verliezers.

De Van Ostadeschool in Den Haag. Foto Olivier Middendorp

Mag een peuter met een taalachterstand uit de stad méér geld kosten dan een peuter met een taalachterstand uit een dorp? Op die vraag moet minister Arie Slob (Onderwijs, ChristenUnie) dit voorjaar een antwoord klaar hebben. Een pot met bijna 750 miljoen euro voor de bestrijding van onderwijsachterstanden moet hij opnieuw over gemeenten en scholen verdelen. Voor de steden, die nu meer geld per leerling krijgen dan kleinere gemeenten, staat veel op het spel. Zij dreigen miljoenen euro’s te verliezen, waardoor ze hun voorscholen voor peuters en taalprogramma’s gedeeltelijk kwijtraken.

„Van de gekke”, noemt de Rotterdamse wethouder Sven de Langen (Onderwijs, CDA) het idee dat hij de voorzieningen zou moeten „afbreken”. „Straks moet ik kiezen welk kind wel en niet naar de voorschool mag. Dat wil ik niet. Als er íéts preventief werkt, dan zijn het de voorscholen. Daar zorgen we ervoor dat achterstanden worden ingehaald.”

Gemeenten zijn verplicht tien uur per week een voorschool te bieden aan peuters met een ontwikkelingsachterstand, bijvoorbeeld doordat hun ouders geen Nederlands spreken. Vanaf 2020 wordt dat zestien uur per week, is afgesproken in het regeerakkoord. Het bedrag voor gemeenten wordt dan verhoogd met 170 miljoen, tot 486 miljoen euro. Ook basischolen krijgen geld om achterstanden te bestrijden – 260 miljoen – om bijvoorbeeld extra leerkrachten aan te nemen. Zo wil het kabinet de groeiende kansenongelijkheid tegengaan.

Tegelijkertijd wordt een nieuwe methode ingevoerd om te bepalen wanneer een kind risico loopt op een achterstand. De oude keek alleen naar het opleidingsniveau van ouders. Omdat steeds meer mensen hogeropgeleid zijn, daalt het budget, maar er zijn niet minder kinderen met achterstanden. De nieuwe methode kijkt onder meer ook naar de verblijfsduur van een gezin in Nederland.

Nu zijn er grote verschillen in bekostiging. Zo krijgt Utrecht gemiddeld 4.183 euro per leerling met een achterstand en het naastgelegen Stichtse Vecht 610 euro. In Deventer is het 2.313 euro en in Voorst 797 euro. Dat komt onder meer door een motie uit 2011 waarin werd bepaald dat de steden samen 95 miljoen euro extra krijgen. Kleine dorpen, zegt minister Slob, hebben hierdoor niet altijd genoeg geld om achterstanden bij kinderen weg te werken.

Toch vinden de grote en middelgrote steden het gerechtvaardigd dat zij meer geld krijgen. „We ondersteunen het pleidooi dat er door het hele land geld moet komen voor onderwijsachterstanden”, zegt de Tilburgse wethouder Marcelle Hendrickx (Onderwijs, D66). „Maar je kunt niet bezuinigingen op de plekken waar de achterstandsproblemen het meest geconcentreerd zijn. Zeker niet nu de Onderwijsinspectie heeft geconstateerd dat kansenongelijkheid een groot probleem is.” Ze spreekt namens de vier grote steden en het stedennetwerk G40.

Volgens de Rotterdamse wethouder De Langen is het duurder en moeilijker een goede voorschool op te zetten in een gebied waar veel leerlingen met grote achterstanden wonen dan in een gebied waar een paar leerlingen „extra aandacht nodig hebben”.

Grote verschillen

De steden pleiten voor een van de vijf verdeelopties die Slob onlangs naar de Kamer stuurde: variant B. Daarmee kunnen de meeste steden hun beleid voortzetten of verbeteren. Maar ook die optie kent verliezers. De gemeente Utrecht bijvoorbeeld zou er 5,4 miljoen euro op achteruitgaan (en met de andere opties ook miljoenen euro’s). Utrechtse scholen zouden 4,2 miljoen euro minder krijgen. Wethouder Jeroen Kreijkamp (Onderwijs, D66) noemt het onbegrijpelijk dat het ministerie kansenongelijkheid wil tegengaan maar tegelijkertijd het Utrechtse budget hiervoor verkleint.

Voor het schoolbestuur SPO Utrecht, met 35 scholen, waarvan 14 ‘achterstandsscholen’, betekent het een verlies van 40 tot 50 leraren, zegt voorzitter Thea Meijer. „Grotere klassen, minder individuele aandacht voor leerlingen. En geen extra talige activiteiten meer onder schooltijd.”

Ook de gemeente Den Bosch gaat er in alle scenario’s 0,4 tot 1 miljoen euro op achteruit. „Dit leidt tot verhoging van de werkdruk op basisscholen”, zegt wethouder Eric Logister (D66). „En waren we niet net bezig die naar beneden te krijgen?”

    • Mirjam Remie