Column

Vuur

Het mooie weer maakte ze spraakzamer in het dorp, alsof ze ineens wel wisten wat ze met hun leven moesten. „Ik zeg weer voor de barbecue!”, zei de slager. De overbuurman zei dat hij, als hij mij was, ons tuinhek recht zou zetten. Weer een huis verderop stonden ze in gezinsverband stronken uit de grond te trekken. „Dat gaan we lekker opstoken!”

Ze waren de enige niet. Op de eerste warme avond telde ik wel tien rookpluimen.

Wanneer had ik voor het laatst fikkie gestookt? Bij Scouting Markesteen in Velp waarschijnlijk, ik was toen tien. Daarna mocht ik me er nooit meer mee bemoeien. Met de ex-vriendin die betrokken was bij een landschapstheatergroep moest ik altijd mee naar Oerol, op de natuurcamping was altijd kampvuur, maar dat werd volledig gedomineerd door mannen die de hele tijd House of the rising sun speelden op hun kut-gitaren.

Eigenlijk had ik nog nooit een eigen vuur gehad.

De volgende dag passeerde ik, zoals altijd als ik de kinderen naar de opvang heb gebracht, de uitbater van de plaatselijke Blokker-vestiging die stond te wankelen op een trapje om die oranje vlag op te hangen. Goed gevoel voor direct marketing: hij begint altijd over producten die ik toevallig nodig blijk te hebben. Voorbeelden: plastic zandbak, plastic zwembad, plastic speelgoed, plastic stofzuiger en klei.

Hij riep: „Heb jij al een vuurkorf? Ik heb er nog twee. Uit China.”

„Wat voor dan?”, vroeg ik. Alsof ik er verstand van had. „Het ziet eruit als een soortement van wok, d’r zitten ook pootjes bij…”

Ik kwam thuis met een volgeladen fiets. Een vuurkorf uit China, een zak met blokken houtpulp uit China en een zak met berkenhout. Toen de kinderen naar bed waren stapelde ik een imposante toren. Die avond zaten we bij ons eigen vuur, zoals alle gezinnen in het dorp bij hun vuur zaten. Glaasje wijn erbij. „Nou dit hadden we in Amsterdam niet”, hoorde ik mezelf zeggen.

De vriendin zei na een uur dat ze wel weer eens naar binnen wilde, televisie kijken of een boek lezen. „Ik wacht tot het vuur uit is”, zei ik. „Ik denk dat dat nog twee glazen duurt.”

Even later zakte de Chinese vuurkorf langzaam door de smeltende pootjes. Ik gooide er een paar emmers water overheen. Daarna zag ik niets meer. In het donker veegde ik de derrie naar een hoek.

„Was het nog leuk bij je vuur?”, vroeg ze toen ik binnenkwam.

De volgende dag waren alle tegels zwart, alsof er een raket was gelanceerd. „Dat heeft papa gedaan”, hoorde ik haar tegen de kinderen zeggen.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.