Opinie

Nederland mag kinderen het recht op gezinshereniging niet ontnemen door te treuzelen

Van sommige geschillen tussen vreemdelingen en de Nederlandse staat vraag je je af waarom daar een Europese rechter voor nodig is, schrijft Martijn Stronks in de Verblijfscolumn.

Asielkinderen volgen voortgezet onderwijs aan het ISK (Internationale Schakel Klas) Drachten. Foto: Kees van de Veen

Vorige week oordeelde het Hof van Justitie van de Europese Unie dat het Nederlandse gezinsherenigingsbeleid voor vluchtelingen niet door de beugel kan. Wanneer iemand vluchtelingenbescherming verkrijgt heeft hij het recht op hereniging met zijn gezinsleden. Dat gaat dan in eerste instantie om de partner van de vluchteling en zijn kinderen, terwijl als de vluchteling minderjarig is, hij herenigd kan worden met zijn ouders.

Deze vorm van gezinshereniging wordt nareis genoemd en is gunstiger dan normale gezinshereniging. Zo wordt aan de vluchteling geen inkomenseis gesteld. Ook is het voor de gezinsleden niet nodig dat hij eerst een inburgeringsexamen op de ambassade in het land van herkomst doet, een eis die sinds 2006 aan reguliere gezinsherenigers wordt gesteld. Het idee achter deze gunstige behandeling van vluchtelingen is dat zij door hun gedwongen vertrek uit het land van herkomst hun gezinsleven niet langer daar kunnen uitoefenen. En omdat zij het recht hebben verkregen om als vluchteling hier te verblijven, mogen ze dat ook samen met hun gezin doen.

Streng beleid

Sinds 2007 heeft Nederland het nareisbeleid voor vluchtelingen enkele malen aangescherpt, omdat het stelde dat er veel misbruik werd gemaakt van deze gunstige procedure. Vermindering van het aantal nareizende familieleden werd het doel. Veelal ging het om een verzwaring van het bewijs om de gezinsband met de nareizende gezinsleden aan te tonen.

Hoewel het beleid in 2012 na veel kritiek ook weer enigszins werd versoepeld, bleef het Nederlandse beleid vrij streng. Onlangs berichtte NRC bijvoorbeeld nog over de lange wachttijden voor vluchtelingen die hun kinderen wilden laten overkomen. In veel gevallen bleken vluchtelingen langer dan het wettelijke maximum van zes maanden te moeten wachten voordat de IND tot een besluit over het nareisverzoek kwam.

Minder- of meerderjarig

De zaak voor het Europese Hof van Justitie ging over een specifiek deel van het strenge Nederlandse nareisbeleid. De vreemdeling in deze zaak was toen hij een aanvraag indiende voor vluchtelingenbescherming minderjarig. Als minderjarige vluchteling had hij het recht op hereniging met zijn ouders. Probleem was echter dat hij gedurende zijn procedure meerderjarig was geworden. En als meerderjarige had hij géén recht om zijn ouders te laten nareizen.

De vraag voor het Europese Hof was eigenlijk nogal simpel: was de vluchteling nou een kind of niet? De Nederlandse overheid vond dat het moment dat de vluchteling zijn verblijfsvergunning kreeg bepalend was voor zijn leeftijd en dus ook voor zijn recht op gezinshereniging. De vluchteling vond dat het moment van aanvraag van de asielvergunning leidend moest zijn.

Lees ook: Hof tikt Nederland op vingers om gezinshereniging

Het Hof van Justitie gaf de vluchteling gelijk. Ten eerste omdat rechten van vluchtelingen hen al toekomen nog voordat ze in een asielprocedure een verblijfsvergunning hebben gekregen. Zo heeft een vluchteling het recht om niet te worden teruggestuurd naar het land waar hij gevaar loopt. Dat recht heeft hij nog voordat in een procedure is vastgesteld dat hij inderdaad vluchtelingenbescherming krijgt. Anders zou hij immers al kunnen worden teruggestuurd nog voordat is uitgemaakt dat hij gevaar loopt.

Dat geldt ook voor het recht op gezinsleven, zegt het Hof van Justitie nu. Het recht op nareis van de gezinsleden ontstaat dus niet pas op het moment dat vluchteling in een procedure is erkend als vluchteling. Dat recht heeft hij al op het moment van aanvraag van de vluchtelingenbescherming.

Volstrekt onvoorzienbaar

Dat argument mag misschien wat abstract klinken, het wordt duidelijker als het Hof de lengte van de asielprocedure ter discussie stelt. Feitelijk gezien betekende het Nederlandse beleid dat de overheid door een lange procedure, een minderjarige vluchteling het recht kon ontnemen om met zijn ouders te worden herenigd. In plaats van een aanmoediging tot snelle procedures, werd het zo wel erg verleidelijk voor de overheid om de asielprocedure op te rekken tot het kind meerderjarig was geworden.

Simpelweg treuzelen om zo de nareis van gezinsleden van vluchtelingen verder in te perken. Bovendien, zo stelt het Hof, is het dan op voorhand volstrekt onvoorzienbaar of de vluchteling zijn recht op gezinshereniging met zijn ouders kan uitoefenen of niet. Nee, zegt het Hof, het recht op gezinsleven van vluchtelingen is niet afhankelijk van het handelen of treuzelen van de overheid. Vluchtelingen hebben dat recht vanaf het moment dat ze een asielaanvraag indienen.

En zo werd Nederland stevig op zijn vingers getikt. Het beleid voor gezinshereniging van vluchtelingen zal moeten worden aangepast. En de moraal van het verhaal? De rechten van het kind beperken door net zolang te wachten tot het kind geen kind meer is, dat mag niet. Hadden we voor dat inzicht nu echt een Europese rechter nodig?

Aanvulling: Studenten van de Migration Law Clinic van de Vrije Universiteit Amsterdam schreven een advies in deze zaak voor de vreemdeling. Het Advies werd door het Hof aangemerkt als expert-opinie en naar de Europese Commissie, de Nederlandse en de Poolse overheid gestuurd voor commentaar.

De Verblijfscolumn wordt een keer per maand geschreven door Martijn Stronks in samenwerking met Verblijfblog, het blog van het Amsterdam Centre for Migration and Refugee Law van de Vrije Universiteit Amsterdam. Martijn Stronks is jurist en filosoof en is als universitair docent verbonden aan de VU. Twitter: @MartijnStronks