Landbouwkundige Fusuo Zhang (rechts) controleert met een boer de kwaliteit van het gewas op een rijstveld in China: „ Er zijn grote verschillen tussen de opbrengsten van boeren.”

Foto China Agricultural University

‘Mijn studenten helpen Chinese boeren graag om meer tarwe en rijst te oogsten’

Landbouwexpert

De Chinese landbouw moet efficiënter worden. Daarom laat Fusuo Zhang studenten twee jaar tussen de boeren wonen om hen te helpen.

Als kind heeft landbouwkundige Fusuo Zhang (1960) vaak honger gehad. In het boerengezin waarin hij opgroeide kreeg hij hoogstens twee keer per dag noedels of brood. Pas op de universiteit kon hij zich drie maaltijden permitteren. Maar alleen doordat zijn vader, intussen ook dorpsarts, bij kon leggen. „Mijn studiebeurs was berekend op vijfhonderd gram voedsel per dag, onvoldoende voor een jongeman”, vertelt hij in Wageningen, waar hij 7 maart een eredoctoraat kreeg.

Als kind had boerenzoon Fusuo Zhang vaak honger; hij kreeg hoogstens twee keer per dag noedels of brood

Nu is Zhang succesvol onderzoeksleider op de China Agricultural University, en een van de belangrijkste landbouwadviseurs van de Chinese overheid. Als student, en later hoogleraar, zag hij de graanproductie toenemen. Nog maar zestig jaar geleden verkregen de Chinese boeren dezelfde lage opbrengsten als de Afrikaanse boeren nog steeds hebben: gemiddeld zo’n 2 ton per hectare per jaar. Inmiddels zijn de Chinese graanopbrengsten gemiddeld zo’n 6 tot 8 ton (ter vergelijking: in Nederland is de tarweproductie ruim 10 ton). Sinds 2013 produceert China zelfs zo veel rijst en tarwe dat het zijn eigen bevolking kan voeden.

Maar de 600 miljoen kleine Chinese boeren werken niet efficiënt. Zhang’s groep laat dat steeds weer zien met nieuwe metingen, veldproeven en computermodellen. De Chinese boeren strooien overmatig veel kunstmest, die de meren en rivieren fors vervuilt. Een publicatie in Science in 2010, waarin de groep liet zien hoe ernstig ook de bodemverzuring is, had de ogen van de regering geopend, vertelde Zhang tijdens een masterclass. „Binnen een week nodigde de eerste minister mij uit met de vraag wat te doen.”

Zhang’s groep zette een nationaal scholingsprogramma op dat uniek is, omdat het veel kleine boeren bereikt. Vorige maand publiceerden de onderzoekers de resultaten tot 2016 (Nature, 7 maart). Ruim 20,9 miljoen boeren over heel China kregen teeltadviezen, gebaseerd op de uitkomsten van 13.123 veldproeven met maïs, rijst en tarwe. De opbrengst van de getrainde boeren was gemiddeld tien procent hoger dan die van niet getrainde boeren in omliggende dorpen. De eersten stootten samen een derde minder stikstof uit, hadden een hoger inkomen, en zorgden voor minder CO2-uitstoot. Bij de scholing waren 1152 onderzoekers van 33 universiteiten betrokken en ruim 200.000 voorlichters en vertegenwoordigers van kunstmest- en zaadbedrijven. De kosten waren 54 miljoen dollar, de baten 1,2 miljard, schrijven de auteurs in Nature.

Hoe lukt het jullie zo veel kleine boeren te bereiken?

„Door de inzet van masterstudenten. Landbouwvoorlichters wonen in de stad, en bezoeken een dorp twee of drie uur. Boeren zijn dan na een seizoen hun adviezen alweer vergeten. Onze masterstudenten wonen twee jaar in een dorp, tussen ongeveer duizend boeren. Daar zetten ze met de beste twintig mannen of vrouwen een boerenveldschool op voor de minder efficiënt werkende boeren, vaak arme en minder geletterde boeren. Er zijn grote verschillen: de beste boeren halen soms wel tien ton tarwe per hectare per jaar, anderen komen niet boven de drie hectare. Die laatsten leren het meest.”

Willen jongeren wel in die afgelegen dorpen wonen?

„Op dit moment wonen driehonderd van deze landbouwstudenten in zo’n dorp . Ze wonen er alleen, of in geval van meisjes met twee. Ze hebben nog geen gezin en ze zijn heel gemotiveerd om de boeren te helpen. Daarbij werken de lokale overheden en bedrijven graag mee. Vanuit de stad is het lastig al die boerengezinnen te bereiken.

„De kunstmestbedrijven die meedoen (private ondernemingen en staatsbedrijven) zijn verplicht de door de universiteiten ontworpen mestkorrels te leveren. De samenstelling verschilt per gewas en regio. Maar de boeren beslissen zelf of ze preciezer gaan bemesten, andere planttijden aanhouden, ploegen, of bijvoorbeeld betere zaden kopen. Onze paper in Nature legt uit waarom boeren adviezen niet altijd opvolgen. Soms was de informatie te moeilijk, in dat geval zochten de onderzoekers naar ‘vertalers’. Vaak was er te weinig arbeidskracht om preciezer te gaan werken omdat jonge familieleden weg waren getrokken.”

Lees ook het onderzoek van NRC naar fraude in de Nederlandse mestsector: Het mestcomplot

Waarom richten jullie je op de kleine boeren, de Chinese overheid wil toch juist grote bedrijven?

„De hiervoor nodige landhervormingen gaan veel tijd kosten. Huishoudens moeten daarvoor land willen overdragen, maar dat doen ze niet zomaar. China telt 240 miljoen boerenhuishoudens die op gemiddeld 0,6 hectare graan en wat groente telen. Op elk bedrijf werken twee tot drie familieleden. Er is niet genoeg ander werk voor al die kleine boeren. De kleine boerderijen in Japan en Korea hebben er vijftig jaar over gedaan om te groeien naar 6 hectare, zoiets verwachten we ook voor China. Alleen de staatsbedrijven zijn 20 hectare of meer, zoals in Nederland, maar dat is hoogstens 5 procent.”

U bent geen lid van de Communistische Partij. Hoe lukt het u zoveel invloed uit te oefenen?

„Ik ben lid van een van de zeven minderheidspartijen, en daarmee komen onze adviezen op drie manieren bij de overheid. Via die partij, want minderheden in China hebben de rol van consultant. Via onze universiteit: wij schrijven elk jaar een adviesrapport. En via de Chinese Academie van Wetenschappen, een raadgevend orgaan waar ik lid van ben.”

Wat leert u van Nederland?

„Veel Chinese boeren hebben alleen nog lagere school. Ik zie in Nederland hoe belangrijk het is dat boeren goed zijn opgeleid. Nederlandse boeren en tuinders zorgen voor de bodem, en runnen hun boerderij als een bedrijf dat inspeelt op de markt. Dat zouden we onze boeren ook willen leren.”

    • Marianne Heselmans