Konden we maar even terug naar toen

Vanuit Princeton, New Jersey, schrijft over wat haar opvalt. Vandaag: een zieke vriendin en verlangen naar vanzelfsprekend geluk.

Heimwee is een mol. Je ziet hem niet, maar met zijn graafpoten ondermijnt hij de grond onder je voeten. En hij is niet voor een gat te vangen. Net zo makkelijk gaat hij achterwaarts als hij klem komt te zitten. Je loopt over een dun laagje zonder dat je het door hebt.

Het knagende gevoel overvalt me als het niet goed gaat met mensen die me dierbaar zijn. Wanneer de tijd niet meer vanzelfsprekend verder kabbelt, maar met een schok tot stilstand komt.

Mijn vriendin is ziek. Op de foto die haar dochter stuurde vanuit het ziekenhuis staat een verdrietige vrouw. Niet het stralende meisje dat ik ken. Ze heeft pijn. Ze is bang. Mijn hart breekt telkens opnieuw als ik aan haar denk.

Een oceaan scheidt ons. Door de telefoon kun je elkaar niet aanraken. FaceTime wordt pijnlijk als er tranen vloeien die je niet kunt drogen.

Op een incomplete manier probeer ik er voor haar te zijn. Ik druk haar een hart onder de riem als ze zich naar het ziekenhuis sleept voor een chemokuur. Ik zeg iets bemoedigends als ze naar de kapper gaat voor een pruik. Ik stuur haar verrassingspakketjes met uitgeknipte plaatjes en gedichtjes.

Berichtjes zo anders van aard dan voorheen. Toen stuurden we elkaar foto’s van een concert, vertelden over boeken die we beslist moesten lezen. Toen we allebei kleine kinderen hadden, trokken we eindeloos met elkaar op. We stonden daar nooit bij stil. We hadden het veel te druk, met werk, kinderen halen en brengen. Tassen vullen met koekjes, limonade en pleisters. Eindeloze zomerdagen aan het strand.

Toen mijn dochter ziek was, nam ze vanzelfsprekend alles van me over. En nu ben ik er niet om dingen van haar over te nemen. Om de boterham voor school te smeren voor haar jongste. Om haar hand vast te houden als de chemo binnendruppelt. Om soep te maken voor als ze thuis op de bank bijkomt.

De afstand houdt me in een wurggreep. Mijn jongste heeft me nodig. Ik woon en werk in een ander land. De heimweemol ondergraaft ondertussen mijn fundament, blind, nietsontziend.

Mijn vriendin en ik praten veel over die kleinekinderentijd. We kunnen er niet over uit hoe kwetsbaar ze waren en hoe lief. We herinneren ons vooral de onbeduidende dingen. Het roze stepje waar ze om vochten. Het felbegeerde ijsje aan het eind van de middag, moegespeeld op weg naar huis.

Zojuist stuurde ze een foto van onze kinderen op de speelplaats van het kleine stadspleintje waar we zo veel uren samen doorbrachten. Onze twee jongsten zijn aan het schommelen. Ze hangen hoog in de lucht, uitgelaten, met toch iets van angst in hun gezicht. De lucht is blauw. Ik hoor hun stemmen uitstijgen boven het zomerse stadgeroezemoes. Dwars door tijd en ruimte heen.

Even trekt de mist boven de oceaan op. Misschien is dat wel het grootste geluk. Als de dingen vanzelfsprekend zijn. Vrij zwevend boven alles op het hoogtepunt van de schommel.

Reacties naar pdejong@ias.edu
    • Pia de Jong