Kader Attia in zijn debatcafé La Colonie in Parijs.

Foto Benjamin Girette

Kader Attia over de banlieue: Wortels groeien ook in beton

Tentoonstelling

De Franse kunstenaar Kader Attia groeide op in de banlieue. Het werd een onderwerp van zijn internationaal succesvolle kunst. Nu heeft hij een grote expositie in zo’n betonnen voorstad bij Parijs.

In een gangetje van kale gipsplaten aan het begin van de tentoonstelling hangen foto’s en collages van banlieue-flats, hun architecten en oude plaatjes met taferelen uit het Franse koloniale rijk. In een hoek filmbeelden met acteur Jean Gabin die in 1963 de trein naar de Parijse voorstad Sarcelles neemt. Waar hij zijn oude familiehuis hoopte terug te vinden, blijkt nieuwe utopische hoogbouw verrezen.

Kader Attia in zijn debatcafé La Colonie in Parijs. Foto Benjamin Girette

Het is een botsing tussen twee Frankrijken: het oude van het personage van Gabin en het nieuwe van de kunstenaar, Kader Attia. Die botsing, of volgens hem de „verloochening” van dat nieuwe, „postkoloniale” Frankrijk, is een van zijn centrale thema’s. Attia (1970) groeide op als zoon van een communistische, Algerijnse bouwvakker in de betonnen jungle van het aan Sarcelles grenzende Garges-lès-Gonesse. Hij brak internationaal door met installaties rond het thema ‘herstel’ (réparation) op de Documenta van Kassel in 2012. In 2016 werd hij onderscheiden met de belangrijke Prix Marcel Duchamp voor videowerk over ‘herinnering’, vooral aan dat koloniale verleden.

Maar een grote solo-expositie in Frankrijk had hij nog nooit gehad. „Al jaren stel ik installaties rond het koloniale vraagstuk voor, want ik ben ervan overtuigd dat de kolonisatie het laboratorium is geweest voor de segregatie later in de banlieue”, zegt hij in La Colonie, een debatcentrum dat hij vorig jaar in Parijs opende. „Ik kan dat werk makkelijk kwijt in Duitsland, Nederland of de VS. Maar Frankrijk, dat nog altijd zucht onder het verlies van koloniale grandeur, bleek er niet klaar voor.”

Ik was zo’n jongetje

Dat geldt niet voor het museum voor moderne kunst waar Attia tot september te zien is. Het in 2005 geopende museum Mac Val staat tussen vervallen hoogbouw en exotische winkeltjes in Vitry-sur-Seine zelf middenin die banlieue. Wie het vanuit Parijs wil bezoeken zit lang in de metro en de bus. Maar Attia had zich geen betere plek kunnen wensen. „Deze tentoonstelling voelt als thuiskomen”, zegt hij. „Dit is belangrijk voor me. Het is al waanzinnig dat je een museum voor contemporaine kunst in de banlieue vindt. Moderne kunst is toch meer iets van de bourgeois elite. De plek is zo al het begin van de tentoonstelling.”

Kader Attia, Untitled (Skyline), 2007-2012 Foto Marc Domage

Op de ochtend van de opening trekken schoolklassen met Franse kinderen uit alle windstreken langs de soms nogal experimentele of conceptuele installaties. „Ik was zelf ooit zo’n kind”, zegt Attia. „Ik ben voor het eerst met school naar een museum geweest en maakte zo kennis met kunst. Kunst heeft grote impact op de samenleving. Bij de voorbereiding van deze expositie heb ik mezelf steeds de vraag gesteld: wat blijft bij die jongeren hangen?”

Kijk hier naar een video van Kader Attia’s ‘Oil and Sugar’ (2007)

En? „Ik heb de unieke kans om iets te repareren, om dat woord maar weer te gebruiken. Om te waarschuwen voor radicaal islamisme bijvoorbeeld. Om te zeggen: opgepast kinderen, we weten dat het zwaar is in de banlieue, dat er geen plekken zijn waar je je kunt vermaken, dat de voetbalclub duur is en dat er te veel bewakers in het winkelcentrum staan om nog te kunnen pikken. Maar het alternatief is echt niet alleen de moskee. Je hebt ook kunst. Je kunt je hoofd openstellen, lezen, nadenken.” Dat is wat hij zelf deed toen hij als kind op de markt van Sarcelles bijverdiende met het opruimen van dozen. „Als ik een paar uur overhad dan keek ik naar de mensen of ging ik naar de bibliotheek. Ik las alles.”

Kader Attia, Untitled (2009, installatie met couscous, 20 mossels en zwarte verf) Foto François Fernandez

De politiek ligt er altijd dik bovenop – in Attia’s kunst en in La Colonie, zijn debatcafé bij Gare du Nord. Dat is in een jaar tijd een trefpunt geworden voor politiek geëngageerde jongeren uit de banlieue. „La Colonie is op zichzelf geen kunst”, zegt Attia, „maar creëert een artistieke ruimte, waar volledige vrijheid is.” De thema’s uit zijn werk – identiteit, migratie, integratie – staan dagelijks op het programma. „De gesprekken hier voeden mijn kunst. Er zijn nog zoveel dingen waarover je in Frankrijk moeilijk kunt praten. Maar hier kan alles. We hebben zelfs mensen gehad die het kolonialisme verdedigden!” Hij lacht. „Hoe kun je herstelwerkzaamheden verrichten als de beulen er niet bij zijn?” En er zijn radicale islamisten geweest. „Ze vonden het niets dat we alcohol en charcuterie verkopen. Maar ze waren blij dat ze hun verhaal konden houden.”

Flats

Attia, zegt conservator Frank Lamy van Mac Val, is een „oude compagnon de route” van het museum in Vitry-sur-Seine. Verschillende werken zijn deel van de vaste collectie, zoals Skyline uit 2007: tientallen met spiegeltjes beplakte oude koelkasten die samen de sfeer van een miljoenenstad oproepen. Dat sluit aan op de vele studies die Attia deed naar de ontwikkeling van de flatbouw. Zijn startpunt is daarbij de beroemde architect Le Corbusier, die in de jaren dertig voor zijn ‘Cité Radieuse’ inspiratie opdeed bij traditionele bouw in het Algerijnse Ghardaïa. Een voorstelling van die stad, door Attia opgetrokken uit couscous en geïllustreerd met portretten van Le Corbusier, is al enige jaren te zien in de Tate Modern.

Kader Attia, Traditional Repair, Immaterial Injury (2014) Foto Blaise Adilon

De peetvader van het utopische flatwonen, was „nog heel behoorlijk”, oordeelt Attia. „Maar veel architecten die zich door hem in de jaren vijftig en zestig lieten inspireren, waren minder briljant en moesten dit soort flatbouw rationaliseren.” De tentoonstelling is een „introspectie”. „Dit gaat over mij, over de plekken waar ik opgroeide. Het postkoloniale lichaam, weggestopt in dozen, ver van het gangbare beeld van Parijs dat we aan toeristen laten zien.”

Maar ook aan grauwe banlieueblokken kun je je hechten. ‘Les racines poussent aussi dans le béton’ doopte Attia zijn tentoonstelling: wortels groeien ook in het beton. Zelf woont en werkt hij tegenwoordig in Berlijn. („Ik was het racistische Frankrijk zat.”) Hij is gevierd kunstenaar. Maar terug in ‘Parijs’, logeert hij in Garges-lès-Gonesse, in de banlieue. „Het emotioneert me dat ook als mensen echt niet tevreden zijn over de plek waar ze wonen, ze zich toch gaan hechten. Op internet zie je allemaal filmpjes van verdrietige bewoners als flats waar ze jaren over geklaagd hebben, gesloopt worden. Het is een soort paradoxale hechting: je haat de cité, maar je haat het ook als 25 jaar van je leven instort.”