Opinie

    • Marjoleine de Vos

Hier bij ons beneden heerst het noodlot

‘Je hebt terloops en sinister toeval, dat laatste noemen wij noodlot. U hebt vast gehoord wat de inspiratie van de film was? Mijn dochter die ik in 1994 dwong de bus naar school te nemen in plaats van een dure taxi. Waarna ik op de radio hoorde dat haar bus, lijn 5, door een zelfmoordterrorist was opgeblazen en ik pas een uur later wist dat zij die bus had gemist. Achteraf vroeg ik me af: wat kan ik hiervan leren? Het antwoord is: niks. Veel dingen onttrekken zich gewoon aan je controle.”

Dat zei filmregisseur Samuel Maoz in een interview met NRC.

Een ijzersterk citaat. Er valt niets tegenin te brengen, je kunt er niet van leren dat iets goed is afgelopen, dat je niet door een bom bent getroffen, net zo min als er iets te leren valt van de plotselinge spookrijder, of iemands aanwezigheid in een vliegtuig dat neerstort. Het is alleen maar zo. Het noodlot.

Raar eigenlijk dat dat ‘nood’ zoiets is gaan betekenen als ‘ramp’, ‘terloops en sinister toeval’ zegt Maoz, die overigens ongetwijfeld Engels sprak, terwijl ‘nood’ hier eerder ‘noodzakelijk’ betekent. Het kon niet anders lopen dan zo, want het ís niet anders gelopen. Er is geen mogelijkheid om terug te gaan naar het moment voor de beslissing, het vertrek, die ene afslag. „Als we toen maar niet” – maar dat andere leven waarin het lot niet zou hebben toegeslagen bestaat niet. Er is wat er is. Noodzakelijkerwijs.

Wat niet betekent dat wat gebeurt te begrijpen is. Het ‘toeval’ noemen maakt het niet beter, eerder erger. Dat klinkt naar volstrekte zinloosheid en willekeur, en hoewel het ook zinloos en willekeurig ís, grijpt een mens soms toch naar het woord ‘noodlot’. Het noodlot is al bijna een god, een verschrikkelijke gestalte die iemands leven zomaar kan verwoesten omdat dat leven er voor het noodlot niet erg toe doet. Zie de goden die vanaf de Olympus naar het strijdveld bij Troje kijken. Ze hebben hun voorkeuren, dus in dat opzicht doen die mensen daar beneden er wel toe, maar die voorkeuren hebben alles met de goden zelf, hun trots, hun eer, hun onderlinge relaties te maken en heel weinig met het leven daar beneden.

Klinkt het alsof ik het over Syrië heb en het geruzie van de grote machten onder elkaar? Het lijkt me er in ieder geval een uitstekend beeld voor. De VN-Veiligheidsraad kun je zo op de Olympus zetten, schenkers rennen af en aan, ze ruziën en noemen dat discussiëren, ze krijgen allemaal een beetje hun zin, ze zijn heel redelijk, want immers in gesprek.

Daar beneden in een Syrisch dorp kan iemand wel denken: „Omdat mijn landgenoten zijn vergiftigd door het regime moeten wij nu gebombardeerd worden. Wat is daar de logica van?” Die is er niet. Het zijn de goden die elkaar een lesje leren, en beneden heerst het noodlot.

Maar zo praten we niet meer, dat is achterhaald. En ik geloof zelf ook niet in goden. Maar wel in de behulpzaamheid van die beelden.

Sommige mensen op de grond zullen sommige goden de schuld geven: het was Zeus, het was Amerika, het was Hera, het was Rusland. We moeten die god mijden, voortaan, of juist aanbidden.

Maar het doet er niet toe. Het enige wat er wel toe doet zijn de levens van die mensen die daar, voor de goden zo onzichtbaar, verscholen tussen de puinhopen, zo krioelend klein, proberen er toch nog wat van te maken. Van dat alles, waar niets van te leren valt.

Marjoleine de Vos is redacteur van NRC.
    • Marjoleine de Vos