Recensie

Weg is de hoop in intense Lohengrin

Opera Meesterregisseur Olivier Py situeert Wagners Lohengrin op het puin van 1946. Een voorstelling bomvol diepgang en ideeën.

Aan ‘het geval Wagner’ zijn veel woorden gewijd. Wat moet je met een geniaal componist die opera als genre een reuzenstap vooruit hielp, maar ook het antisemitische Der Judenthum in der Musik (1850) schreef - waarna de nazi’s zijn muziek tot trots van Wagners nazaten annexeerden?

Je snapt dus wel dat veel ensceneringen nog steeds verwijzen naar de geschiedenis, hoe goed een meer abstracte aanpak in Wagner ook werkt. Dus of een opera als Lohengrin daadwerkelijk niet „mag” worden geënsceneerd zonder stil te staan bij de oorsprong van het nationaal-socialisme, zoals de Franse regisseur Olivier Py stelt? Daarover valt te twisten. Wat Py óók begrijpt, dus liet hij de première van zijn Lohengrin aan de Brusselse Muntopera vrijdag voorafgaan door persoonlijke uitleg: waarom zijn voorstelling gesitueerd is in Duitsland anno 1946, in de ruïne van een afgebrand theater.

Bekijk hier een interview met regisseur Olivier Py over de uitgangspunten van zijn Lohengrin:

Py’s stelling mag discutabel zijn, zijn Lohengrin is dat niet. Een heel persoonlijke, geconcentreerde, integere en urgente voorstelling is het, die alle reserves tegen het concept uiteindelijk omsmelt in ontroering. Hoe kun je zo’n veelvoud aan ideeën (de zwaan wordt hier verbeeld door de veertjes uit het kussen waarmee de jonge Gottfried, symbool van de onschuld en hoop, wordt gesmoord) zo organisch aanéénsmeden tot één effectieve vertelling?

Duistere esthetiek

In het decor van Pierre-André Weitz ademt afbraak zijn eigen, duistere esthetiek. Zie hoe de maan à la Caspar David Friedrich schijnt boven een nachtelijk meer: prachtig, Duits, romantisch – en dat door de muziek pompend uitvergroot. Maar intussen kalkt de boodschapper van de koning (prachtige, beschaafde Werner van Mechelen) daar de Todesfuge van Celan overheen (‘Der Tod ist ein Meister aus Deutschland’), terwijl een buitelende urban danser in soldatenbroek handen en voeten geeft aan het onbehaaglijke besef dat hier voorgoed wordt geknabbeld aan je onbevangenheid.

Bekijk hier een trailer:

Niet alle vondsten zijn zo sterk: dat de kerk waarin graalridder Lohengrin en Elsa zijn getrouwd een rommelzolder van Duitse kopstukken blijkt, viel al bijna te voorspellen (en is ook al eens eerder gedaan). Maar daar speelt dan weer dat Py óók een geweldige theaterregisseur is, en tussen de bustes van Beethoven en Goethe de meer menselijke (Wagner-)thema’s – liefde, twijfel, verraad - ruimte krijgen.

Gevoelserupties

Wat dirigent Alain Altinoglu doet met het koor en orkest van de Munt is een wondertje van spanningsopbouw. Altinoglu begint licht en lyrisch, maar pakt later uit met diepe gevoelserupties. Alle koper-ensembles zijn scherp en zuiver: een genot. En ook de interactie met de zangers staat de volle drieënhalf uur op scherp.

Elena Pankratova (Ortrud) acteert smeuïg intrigantesk en zingt krachtig. Ingela Brimberg (Elsa) is haar romige pendant, iets minder uitgesproken maar prima rollen zijn er van Gabor Bretz (Heinrich) en Andrew Foster-Williams (Telramund). De grootste ontdekking is de boomlange, robuuste en toch aandoenlijke tenor Eric Cutler, die een onvergetelijk roldebuut maakt als Lohengrin. Een heldenstem heeft hij niet, wél een zeldzame mix van lyriek en stamina. Hij zingt de Gralserzählung zo teder, braamloos en betoverend dat het niet met droge ogen te verdragen valt. Py deelt daarna dan nog één persoonlijke, nihilistische dolkstoot uit: troonopvolgertje Gottfried keert niet terug, maar blijkt dood: weg hoop op een betere samenleving.

Volgens Py leef je in het theater intenser. Zijn Lohengrin maakt voelbaar wat hij bedoelt.

    • Mischa Spel