Op één: de gedomesticeerde honingbij

Bijentelling

Duizenden Nederlanders telden dit weekend bijen. Wetenschappers willen zo meer kennis vergaren over de „vliegende teddyberen”. Veel bijen worden bedreigd.

Met de klok mee: deelnemers aan de nationale bijentelling bij Naturalis in Leiden. Een koningin akkerhommel. Het tellen van de bijen. ‘Bijenprofessor’ Koos Biesmeijer. Foto’s Martijn Beekman

Is het insect daar op die bloem een vliegend vosje, akkerhommel of een boomkoekoekshommel? Bijen tellen is boeiend, maar ze op naam brengen niet altijd makkelijk. Dat ondervonden ruim drieduizend deelnemers aan de eerste Nationale Bijentelling. Hun zonovergoten tuinen vormden het decor voor het spieden naar nog meer soorten, zoals het roodgatje, de witvlekzandbij, honingbij, akkerhommel, tuinhommel of zweefvlieg.

Voor ‘bijenprofessor’ Koos Biesmeijer, wetenschappelijk directeur van Naturalis Leiden, zijn bijen „vliegende teddyberen”. En het is helemaal geen probleem als mensen een insect niet kunnen thuisbrengen, als ze op het telformulier maar aankruisen ‘bij of hommel onbekend’. Biesmeijer: „Deelnemers kunnen een bijenfoto insturen die experts vervolgens determineren”.

Onder de naam Nederland zoemt. In actie voor de bij willen wetenschappers meer kennis vergaren over deze nuttige dieren. Biesmeijer verricht al meer dan vijfentwintig jaar onderzoek naar bijen. Naturalis is een van de initiatiefnemers van de telling, samen met EIS Kenniscentrum Insecten, Waarneming.nl, Natuur en Milieu, IVN Natuureducatie en LandschappenNL, met financiële steun van de Nationale Postcode Loterij. „Bijen zijn onmisbaar”, licht Biesmeijer toe, „zij bestuiven 80 procent van onze voedselgewassen, zoals fruitbloesem.”

Zon en bloemen

Deelnemers aan de nationale bijentelling bij Naturalis in Leiden. Foto Martijn Beekman

Deelnemers telden gedurende een half uur elke zoemende bij die zich tegoed deed aan nectar. Zon en bloemen: daar houden bijen van. In ons land leven ongeveer 360 soorten bijen in het wild. „Maar eigenlijk weten we nog te weinig van bijen en hommels”, aldus Biesmeijer. „Dat de aantallen wilde bijen dramatisch achteruitgaan is bekend, maar om te weten om welke soorten het precies gaat, hebben we de burger nodig die met tellen ons onderzoek steunt.” Inspiratiebronnen vormen het succes van de Nationale Tuinvogeltelling en de Vlindertelling.

Vanuit een volkstuin in een park vol bloeiende bomen in Amsterdam doet Isabel Harlaar verslag van de „bescheiden bijentelling” die ze met haar vriend deed. Ze noteerde „vijf onbekende bijen, een witvlekzandbij, een onbekende hommel, twee onbekende zweefvliegen en een hommelbijvlieg”. In zijn tuin op Texel – „een diepe tuin met twee vijvers en bloesembomen” – noteerde Arthur Oosterbaan, samensteller van een expositie over bijen, twee honingbijen, vijf rosse metselbijen, een steenhommel, zes hommelbijvliegen en drie bijvliegen.

Buiten bij Naturalis vertelt Biesmeijer over Nederland Zoemt: „De reden dat we de telling in het vroege voorjaar organiseren is omdat er nu relatief weinig soorten zijn, later veel meer”.

‘Bijenprofessor’ Koos Biesmeijer. Foto Martijn Beekman

Deelnemers kunnen via de site van Nederlandzoemt.nl een formulier aanvragen, waarop de waarnemingen genoteerd en doorgegeven worden.

Zondagavond werden de belangrijkste resultaten bekend. Tweederde van de ruim 30.000 getelde insecten zijn wild. Van de bijen komt de gedomesticeerde honingbij het meeste voor dankzij de volken van zo’n 8.000 imkers. De rosse metselbij staat nummer twee, gevolgd door de aardhommel. De rosse metselbij is zo talrijk dankzij een bijenhotel dat veel mensen in hun tuin hebben. Ook houdt de metselbij van de stedelijke omgeving.

Voor de deelnemers vormt het herkennen van de bijensoorten een spanningselement. Tellers in een tuin bij de Weerribben in de Kop van Overijssel wijzen elkaar op de afbeeldingen op het telformuler en speuren vol aandacht naar de langsvliegende insecten. De solitaire hommels die laag boven de grond vliegen, zijn koninginnen op zoek naar een veilige droge plek waar ze eitjes kunnen leggen. Een bewoonster van het Friese weidegebied telde een boomhommel, vier akkerhommels en tien onbekende zweefvliegen. Een mooie score, want plekken met intensieve landbouw zijn vaak arm aan insecten.

Telling van de bijen Foto Martijn Beekman

Biesmeijer is optimistisch over de belangstelling voor de Bijentelling, maar kan nog geen echte conclusies trekken. Wel valt het aantal hommels wat tegen. „Volgend jaar is er opnieuw een Nationale Bijentelling, dan kunnen we voorzichtig trends gaan constateren.” Met dat resultaat kan worden gekeken welke maatregelen er moeten komen om ons land bijvriendelijk te maken. „In elk geval hebben we bereikt dat de overheid een ‘bijenstrategie’ op gaat stellen.”

    • Kester Freriks