Toeschouwers bij Côte de Saint-Nicolas.

Foto Chris Keulen

‘Wat nu als ze hier nooit meer langskomen’

Luik-Bastenaken-Luik De Côte d’Italien, de straat van duizend-en-één verhalen. Normaal mistroostig, maar als de koers passeert is er bier, friet en vlees.

Terwijl 180 wielrenners zich even na tien uur op gang trekken op het Place Saint-Lambert in het centrum van Luik, valt vijf kilometer verderop een uitlaat in z’n geheel onder een blauwe Peugeot 206 vandaan. Het blikkige geluid van over asfalt schurend staal wekt kortstondig de illusie van een kopstaartbotsing, maar dat blijkt het geval niet. De bestuurder stapt routineus uit, loopt kordaat richting uitlaat, en nog voor de dame die naast hem zat te hulp kan schieten, ligt de knalpijp diagonaal in de wagen en lijkt het op deze zonovergoten zondagochtend in de Ardennen alsof er alleen wat oud schroot moest worden verhuisd.

Twee motoragenten, bezig met een vroege inspectie van de Côte de Saint-Nicolas, informeren voor alle zekerheid waar dat heen gaat met een meter staal zwenkend uit de kofferbak. De eindbestemming ligt drie straten verderop en dat vinden de dienders prima. Ze knikken instemmend. Als het duo met het geluid van een opgefokte racewagen om de hoek uit het zicht verdwijnt, klinkt even verderop in de straat het gegrinnik van mensen die met de voordeur open op de stoep zitten om een luchtje te scheppen.

Het is al vroeg warm aan de voet van de Côte de Saint-Nicolas, de slotbeklimming van de monumentale wielerklassieker Luik-Bastenaken-Luik en ook de belangrijkste straat in de gelijknamige arbeiderswijk. Pollen dwarrelen er neer alsof even verderop een vulkaan tot uitbarsting is gekomen. Voor de rest moet het leven er nog zoetjesaan op gang komen.

Foto Chris Keulen
Foto Chris Keulen

Mistroostige straat

Daar waar de Rue de la Station vanaf Gare de Tilleur overloopt in de Rue Bordelais zitten de meeste huizen potdicht – de rolluiken staan op standje nacht, en zo niet dan houden vitrages en gordijnen de vrolijkheid wel buiten. Helemaal onderaan kruipt de mistroostige straat met 3 procent omhoog, maar dat trekt al gauw aan naar 11 en weer wat later naar een pijnlijke hellingshoek van 14 procent. Dit is zo’n beetje de laatste plek waar renners na 250 kilometer koers nog kunnen proberen een beslissende aanval te plaatsen op weg naar de finish in Ans, nog zo’n mistroostige buitenwijk. Het is ook de plek waar meer dan de helft van de inwoners Italiaanse roots heeft, vandaar de bijnaam Côte d’Italien. Het is de straat van duizend-en-één verhalen.

Na de Tweede Wereldoorlog kwamen de regeringen van België en Italië het Accord du Charbon overeen. Het verdrag maakte het voor werkloze Italianen aantrekkelijk om in de Belgische steenkolen- en staalindustrie van Luik en Charleroi geld te komen verdienen – er werden hoge lonen en goede arbeidsomstandigheden beloofd. Vele tienduizenden Italianen, onder andere afkomstig van Sicilië, trokken naar Wallonië in de hoop op een kansrijk leven. Ze kwamen onder meer terecht aan de Rue Bordelais.

Dat deden in 1947 ook de grootouders van Pace Assuntina. De in haar nek getatoeëerde dame van achter in de dertig staat op 500 meter van de top op de parkeerplaats van wat omwonenden Le Building de Tilleur noemen, een tien verdiepingen hoog flatgebouw waar vandaan je uit kunt kijken over de Maas, die tussen de hoogovens van de Luikse staalindustrie door kronkelt. Assuntina is verpleegkundige in Luik en kan van haar salaris prima rondkomen, maar zo gemakkelijk als zij hebben veel van de inwoners het hier niet, vertelt ze. Veel van haar buren kunnen de 300 euro per maand aan huur amper ophoesten. Een groot deel van de inwoners van Saint-Nicolas verloren hun baan toen de Luikse hoogovens van de grootste staalproducent ter wereld, ArcelorMittal, in 2011 dichtgingen.

Twee Italiaanse buren
Foto Chris Keulen
Foto Chris Keulen
Foto Chris Keulen

Lamsvlees op een barbecue

Familieleden van Assuntina staan lamsvlees te braden op een barbecue die vol ligt met smeulende kolen. Verderop worden fusten bier aangesloten in een witte partytent. Muntjes zijn te koop voor anderhalve euro, de prijs voor een glas bier. Voor een broodje vette worst tel je twee munten neer. Wielertoeristen rijden ondertussen niet aflatend langs Le Building de Tilleur richting de top van de Côte de Saint-Nicolas, waar de Belg Marc Geraerts vier jaar geleden een huis kocht dat hij elk jaar tijdens Luik-Bastenaken-Luik voor één dag omtovert tot Café Vélo.

Mensen uit de hele buurt komen in zijn huiskamer bier drinken, friet eten en kijken hoe wielrenners zich totaal opblazen voor ze het dal richting finishplaats Ans induiken. Een vergunning heeft hij niet, maar de autoriteiten van Luik knijpen op deze dag graag een oogje dicht. „Voor Saint-Nicolas is dit de belangrijkste feestdag van het jaar”, zegt Geraerts. „En ik houd daar mooi 250 euro aan over.”

Ook de dikgebuikte Griek Panagioti Arapantionis kijkt elk jaar reikhalzend uit naar Luik-Bastenaken-Luik. Hij zit op een bankje voor het huis van twee goede vrienden van hem, Italianen. „Het is de sfeer van deze wielerkoers die alle inwoners van Saint-Nicolas voor één dag in het jaar bij elkaar brengt”, zegt hij zuchtend van opwinding. „Het is folklore. Iedereen maakt een babbeltje met elkaar, ook mensen die elkaar verder nooit spreken. Een dag als deze, en we kunnen er weer 364 dagen tegenaan.” Hij geeft toe: op andere zondagen is het optimisme ver te zoeken.

Foto Chris Keulen

Uit het raam van nummer 158, halverwege de beklimming, hangt een verwassen vlag van Standard Luik. Het stadion van die voetbalclub ligt op een steenworp afstand. In de tuin liggen zakken met afval en in het belendende steegje staat een verroeste fiets. Verderop is een roze exemplaar te koop voor 100 euro.

De Rue Bordelais is heel duidelijk in tweeën te delen: de eerste helft staat vol met vervallen huizen waar de kozijnen rotten en de voegen al jaren niet zijn bijgewerkt, maar een stukje na Le Building de Tilleur zijn de tuinen ineens netjes bijgehouden, de ramen gewassen, en bij het maison de repos kun je zowaar naar binnen kijken. Onderaan de klim staan sociale huurwoningen, verderop gaat het om koophuizen, vertelt Patrice Cellato, lid van de gemeenteraad, kind van Siciliaanse ouders. Een uur voordat de koers passeert, kijkt hij tevreden om zich heen en stelt hij vast: „Deze wijk is relatief arm, maar de wielerkoers brengt elk jaar een positieve sfeer, een sfeer van hoop.”

Foto Chris Keulen
Foto Chris Keulen
Foto Chris Keulen

Op een groot scherm

Tegen half vijf kijken honderden mensen op het parkeerterrein van le Building op een groot scherm naar de laatste kilometers van Luik-Bastenaken-Luik. Ze eten vlees, drinken bier en zien hoe de Luxemburger Bob Jungels op iets meer dan twintig kilometer van de streep ontsnapt en naar de grootste zege in zijn loopbaan rijdt. Als hij in levenden lijve passeert schreeuwen ze hun kelen schor. Voor hun held Vincenzo Nibali juichen ze niet harder. Veel meer dan wielerfans staan hier mensen die samenkomen om het leven te vieren.

Twintig minuten na Bob Jungels stuurt Jos van Emden de Rue Bordelais op. Voor hem ligt iets meer dan een kilometer steil oplopend asfalt te baden in okergeel zonlicht. Alleen is hij allerminst: door de hele straat staan groepjes kinderen die hem aanmoedigen. Achter zijn schokkende schouders gaat in de Rue de la Station een wit rolluik dicht. Om de hoek kijken twee mensen van achterin de zestig in een aardedonker Café des Sports naar de herhaling van de wedstrijden op televisie. Ze zijn chagrijnig. „Volgend jaar verplaatsen ze de finish naar het centrum van Luik”, zegt de uitbater. „Wat nu als dat betekent dat ze hier niet meer langskomen?”

    • Dennis Meinema