Recensie

Niets blijft de Syriërs bespaard

Syrië

Drie boeken gaan in op het drama in Syrië, dat ondanks het recente Amerikaanse optreden tegen president Bashar al-Assad al zeven jaar duurt, maar nog lang niet voorbij is.

Foto NRC

Is de oorlog in Syrië allemaal voor niets geweest? Zeven jaar strijd, die al aan meer dan 400.000 mensen het leven heeft gekost, ruim elf miljoen Syriërs van huis en haard heeft verdreven en kolossale verwoestingen in het land heeft aangericht.

Net als zeven jaar geleden zit president Bashar al-Assad (1965) nog altijd in het zadel en niets wijst erop dat dit spoedig zal veranderen. Om dit te onderstrepen liet hij zich half maart filmen bij een ogenschijnlijk ontspannen autoritje naar een ‘bevrijd’ deel van Oost-Ghouta, met hemzelf achter het stuur. Terwijl hij langs de puinhopen reed van het snel krimpende rebellenbolwerk onder de rook van Damascus, legde hij triomfantelijk uit: ‘Alle mensen keren terug naar de regering, zoals u ziet.’ Waarna Assad zich liet toezingen door zijn militairen, die de opstandelingen ten koste van zeer veel burgerslachtoffers verdrijven. Ook na de Amerikaanse vergeldingsaanval, begin deze maand, op een opslagplaats voor chemische wapens en een gifgaslaboratorium in Damascus, bleef de Syrische president onverschrokkenheid uitstralen.

Hadden de Syriërs zich al dit bloedvergieten beter kunnen besparen door zich in 2011 te schikken naar het regime? Die vraag is achteraf makkelijk gesteld, maar doet geen recht aan de hele voorgeschiedenis. Zo gek was het immers niet dat Syriërs na jaren van keiharde onderdrukking en toenemende economische problemen in de lente van 2011 in opstand kwamen tegen het regime van Assad. De autocratische heersers van Tunesië en Egypte waren door volksopstanden net ten val gebracht en in Libië wankelde kolonel Gaddafi en kregen diens tegenstanders steun van westerse landen. Waarom zouden ook de Syriërs dan niet proberen van hun tiran af te komen?

Dat hun opstand spoedig gekaapt zou worden door goed bewapende, fundamentalistische, sunnitische groeperingen, die volop steun uit met name de Arabische wereld kregen, is een tragedie die de moedige betogers van het eerste uur niet direct valt aan te rekenen. Zoals ze ook niet bevroedden dat Rusland, Iran en Hezbollah bereid waren tot grote offers om Assad aan het bewind te houden.

Het menselijke verhaal

Drie boeken gaan – elk op eigen wijze – in op het drama in Syrië, dat ondanks Assads gestadige terreinwinst na een dieptepunt in 2015 nog altijd niet voorbij is. De Amerikaanse Midden-Oostenkenner Wendy Pearlman heeft vooral oog voor het menselijke verhaal. Aan de hand van honderden interviews met vluchtelingen schetst ze een aangrijpend beeld van de aanvankelijk hooggespannen verwachtingen en de daaropvolgende desillusies.

Indrukwekkend blijven de getuigenissen van deelnemers – mannen en vrouwen uit alle lagen van de bevolking – over die eerste demonstraties tegen Assad in maart 2011. Het vergde grote moed, want de kans dat ze subiet werden neergeknald door Assads troepen of meteen na thuiskomst werden gearresteerd was groot. Deelnemers ondergingen het als een welhaast mystieke ervaring.

‘Ik stond bij de al-Omari moskee. Toen zag ik de demonstratie op me af komen, het was een gek gevoel. Ik was zo gelukkig dat ik begon te huilen’, vertelt een inmiddels gevluchte journalist uit Daraa aan Pearlman. ‘Zoiets was nog nooit eerder gebeurd. Tot dan hadden we alleen maar marsen vóór het regime gehad.’ Een accountant in de omgeving van Hama zei het zo: ‘Mijn eerste betoging was beter dan mijn trouwdag. En toen mijn vrouw me dat hoorde zeggen weigerde ze een maand lang met me te praten.’

Maar het regime zette zich schrap en nam zijn toevlucht tot maximale repressie. Steeds meer mensen kregen het lijk van opgepakte demonstranten thuis bezorgd, soms met uitgetrokken teennagels of doorboorde botten. Abu Tha’ir, een ingenieur uit Daraa, vertelt Pearlman hoe hij en zijn kameraden een aan zijn been gewonde demonstrant bij het ziekenhuis afleverden. ‘Die avond keerden we terug en vonden we hem met een geweerschot in het hoofd.’

Een ander verhaalt over massagraven, waarin gedode mensen werden begraven mét hun identiteitspapieren, zodat ze spoorloos zouden verdwijnen. Een meisje dat nog bewoog werd er op bevel van een officier eveneens in gegooid. Er volgden ook belegeringen zoals in Homs, waar mensen zich – inmiddels ook bewapend – heldhaftig bleven verzetten, ook al hadden ze alleen nog maar gras te eten.

Steeds vaker doken geharde jihadistische strijders op aan de kant van de rebellen, vaak afkomstig uit het buitenland. Weer later kreeg de burgerbevolking te kampen met de zo mogelijk nog hardvochtiger strijders van Islamitische Staat.

Het is jammer dat Pearlmans boek vooral berust op de getuigenissen van mensen die voor het regime zijn gevlucht en daar kritiek op hebben. Klachten over de rebellen horen we nauwelijks, terwijl die in wreedheid vaak niet onderdoen voor de regering.

De diplomatieke kant

In Destroying a Nation belicht Nikolaos van Dam even beknopt als meesterlijk de politieke en diplomatieke kant van het conflict. Al decennia houdt hij zich bezig met het land en hij beschikt als speciaal Nederlands gezant voor Syrië in 2015 en 2016 (na talrijke ambassadeursposten) over veel informatie uit de eerste hand.

Van Dam (1945) laat zien hoe het regime al ruim voor de revolutie van 2011 steeds sterker leunde op de eigen alawitische minderheid, vanouds boeren en goede vechtersbazen die niet behoorden tot de traditionele sunnitische elite in Damascus en Aleppo. Wie zich tegen hen verzette, kon op keiharde onderdrukking rekenen.

De vaak verbijsterende wreedheid van het regime van vader en zoon Assad sinds het begin van de jaren zeventig legde mede de kiem voor de oorlog, aldus Van Dam. Maar, voegt hij er meteen aan toe, ‘een andere beslissende factor in Syrië in 2011 en daarna was dat in tegenstelling tot eerdere periodes oppositiegroepen langzamerhand steun begonnen te krijgen, zowel politieke als militaire, van buitenlandse mogendheden, die daarmee steeds meer begonnen te interveniëren in de binnenlandse aangelegenheden van Syrië.’

Het kwam voor Van Dam niet als een verrassing dat het Syrische regime uit veel harder hout was gesneden dan dat van Tunesië en Egypte. ‘De roep om vrijheid in Syrië was begrijpelijk en gerechtvaardigd, maar te verwachten dat een transformatie van het Syrische politieke systeem in een democratie mogelijk was zonder bloedvergieten was wishful thinking.’ Het regime wist dat het om een strijd op leven en dood ging en was bereid zijn huid duur te verkopen. ‘Slechts een militaire nederlaag van het regime zou een echte politieke overgang brengen of ‘‘regime change.”’

Assads taaiheid

Dat Syrische burgers de taaiheid van Assads regime onderschatten is één ding, maar dat ook diplomaten in westerse landen er gevoelig voor waren verbaasde de realist pur sang Van Dam. De ambassadeurs van de VS en Frankrijk liepen in juli 2011 zelfs mee met een betoging tegen het regime in Hama en toen er het nodige bloed was gevloeid drongen de VS en andere landen aan op het vertrek van Assad. In 2012 sloten ze zelfs hun missies in Damascus, waarmee verdere communicatie met het regime grotendeels werd geblokkeerd. Maar hoe meer er werd aangedrongen op Assads vertrek en zijn berechting, constateert Van Dam afkeurend, hoe vastberadener deze werd om door te vechten.

Van Dam stelt dat er altijd ruimte moest blijven om te onderhandelen, maar viel er in dat stadium eigenlijk nog wel te onderhandelen met het bewind? Die garantie was er inderdaad niet, erkent hij. Een stelregel van het regime was om nooit te onderhandelen vanuit een zwakke positie, terwijl de oppositie alleen maar sterker van Assad af wilde naarmate er meer bloed vloeide.

Geharde fundamentalistische strijders, dikwijls uit het buitenland en ook door het buitenland betaald, hadden intussen de overhand gekregen. Maar ook zij hadden uiteindelijk geen kans, zeker niet nadat Rusland en Iran hun volle gewicht in de schaal gooiden. Een beslissende factor in het conflict waaraan Van Dam overigens nogal weinig aandacht schenkt.

Mensen die het verzet een warm hart toedragen, verwijten Van Dam soms te veel begrip voor het regime. Hij zou te lichtvaardig heenstappen over de wandaden van Assad en de zijnen. Dat verwijt lijkt me niet terecht. Van Dam verbloemt in zijn boek hun wreedheid allerminst. Kritiek heeft hij op het zijns inziens contraproductieve westerse Syrië-beleid van halfhartige steun aan de opstandelingen, terwijl van tevoren duidelijk was dat die hulp onvoldoende zou zijn om het regime van Assad te verslaan en het Westen zelf bovendien niet piekerde over een directe militaire interventie. Terecht zet Van Dam vraagtekens bij het ethische gehalte van dit beleid.

Niet dat Van Dam graag zo’n interventie had gezien, maar in de gegeven omstandigheden hadden westerse politici beter niet zoveel verbale steun aan het verzet kunnen bieden. Die stond eventuele oplossingen van het conflict eerder in de weg. Veel Syriërs, ook willekeurige burgers, bekroop bij het uitblijven van echte westerse actie bovendien het gevoel te zijn verraden door het Westen.

Klooster

Een auteur met beduidend meer begrip voor het regime is de Belgische pater Daniël Maes. De titel van zijn boek zegt al bijna alles: Poetin en Assad hebben ons leven gered. Maes heeft sinds 2010 langere periodes in het zesde-eeuwse Mar Yakub-klooster in Qâra doorgebracht, negentig kilometer vanaf Damascus, en was nolens volens getuige van de oorlog.

Maes (78) trekt van leer tegen de ‘verzonnen verhalen van de zogenaamd verschrikkelijke dictatuur en een al decennia lang moe getergde bevolking, die nu eindelijk in opstand kwam.’ Hij schrijft: ‘Ondertussen zagen wij hier de werkelijkheid: bendes, door het buitenland bewapend, betaald en getraind, groeiden als paddenstoelen.’

Van kritiek op het bewind van Assad, dat de christelijke minderheid vanouds relatief gunstig gezind was, wil hij niet weten. ‘De president is overigens een verstandig man en bestuurt het land stabiel en evenwichtig.’ Klakkeloos neemt Maes de berichtgeving van de Syrische staatsmedia voor waar aan en beschuldigt hij de Amerikanen en het Westen ervan heimelijk mee te werken aan de ondergang van de christelijke gemeenschap in Syrië. Zonder ook maar het minste bewijs spreekt hij van ‘een wereldwijde samenzwering.’

Hoewel het moedig van Maes was niet te vluchten voor de oorlog, die veel christenen uit Syrië heeft verdreven, doet het eerste deel van zijn oorlogsdagboek door zijn grote naïviteit niet uitkijken naar een tweede deel.

Het einde van de ellende in Syrië is nog altijd niet in zicht, nu landen als Rusland, Iran, Turkije maar ook de VS zich steeds intensiever bemoeien met Syrië. Elk land heeft zijn eigen belangen en laat die doorgaans prevaleren boven die van de lokale bevolking die snakt naar rust en vrede, of ze nu onder Assads heerschappij moeten blijven zuchten of niet. De toneelschrijver Huysayn uit Aleppo zei het zo tegen Pearlman: ‘We hebben het feit geaccepteerd dat we onze dromen kleiner moeten maken als dat nodig is om te blijven dromen.’