‘Zelfs een baby’tje is bij ons doordrenkt van politiek’

Antjie Krog De Zuid-Afrikaanse dichter en essayist ontvangt deze week de Gouden Ganzenveer vanwege haar verdiensten voor de Nederlandse taal. Terwijl ze niet in het Nederlands schrijft. „Een van de moeilijkste dingen in Zuid-Afrika is om je eigen leven in perspectief te zien.”

Ik heb Antjie Krog in mijn verbeelding meer dan eens van kleren zien wisselen achter een auto. Ik weet van haar broers Hendrik en Andries, hoe zij hun boerderij verkochten toen het steeds moeilijker werd als boer het hoofd boven water te houden in het Zuid-Afrika van de jaren negentig. Ik weet dat de moeder van Antjie Krog het mooiste verhaal over kuikens schreef dat ik ken. Ik weet dingen van Antjie die je niet van je eigen zus weet: over het ouder worden van haar lijf en ook dat van haar man.

Want in haar verbluffend veelzijdige oeuvre schrijft Antjie Krog evengoed over haar kleindochter als over Nelson Mandela (en hoe ze een panty aantrekt als ze hem plotseling moet ontmoeten). Ze doet, in altijd directe, stralende taal, verslag van politieke aardverschuivingen en van het eten van een pruim. In zowel poëzie als non-fictie voert ze je door haar Zuid-Afrika, dat van boerenland en townships, verzoening en onoverbrugbaarheden.

Nu is Antjie Krog (1952) in Nederland om de Gouden Ganzenveer in ontvangst te nemen, een prijs voor verdiensten voor de Nederlandse taal. Dat zij in het Afrikaans dicht, maakt de prijsuitreiking tot een opmerkelijk gebaar jegens hetgeen jurylid Tom Lanoye in zijn eulogie ‘de enige en wondermooie zusterspraak van ons aller Nederlands’ noemt.

„Er is een tijd geweest dat Afrikaners vonden dat hun taal een inheemse was, die uitsluitend in Afrika hoorde,” zegt Krog. „En er is een tijd geweest dat de Afrikaners het Nederlands zagen als toegang tot Europa en de westerse denkwereld. Er zijn ook perioden waarin er in Nederland veel belangstelling is voor het Afrikaans, maar tijdens de apartheid was het de taal van de onderdrukker en werd die juist op afstand gehouden. De verhouding is warm, lauw, warm, lauw.”

En nu, bijna dertig jaar na de apartheid, is er weer toenadering?

„Kek, ik kan niet voor Nederlanders spreken. Maar wij moeten vrezen voor het voortbestaan van het Afrikaans. Hoe vecht je voor een taal, zonder behoudend te worden? Is vechten het rechte woord? En ik denk dat ook Nederlands onder druk staat.”

En purisme is niet het antwoord.

„Purisme leidt er alleen maar toe dat je anderen buitensluit en zegt: jouw Nederlands is niet goed genoeg, jij praat teveel dialect. Je bent steeds bezig mensen af te gooien van de taal.”

We beginnen het gesprek elk in onze eigen moedertaal, maar de verwantschap blijkt verraderlijk. De woorden klinken vertrouwd, de betekenis blijft schemerig. „Het is alsof het Nederlands woorden heeft die mijn taal is vergeten, of nooit heeft gekend. Toch voelt het alsof ik ze ken, bijvoorbeeld: plattegrond. Ik weet wat plat is en wat grond is, maar weet niet waarom het een kaart is. Wij noemen dat een padkaart.” We schakelen over naar een weinig puristisch allegaartje van Engels, Nederlands en Afrikaans.

Over haar eerste bezoek aan Nederland schrijft Krog dat ze vreesde erachter te komen dat ze híer thuishoorde en niet in Zuid-Afrika. Maar, schrijft ze: ‘De angst was vergeefs. Binnen een uur was ik er totaal van overtuigd dat de nijvere, ironische Nederlanders niet eens vaag aan mijn innerlijk verwant waren.’

„Hier ben ik me er ontzettend van bewust dat ik derde wereld ben. Dat bedoel ik in de zin van zuidelijk: mijn basis is anders, mijn zorgen zijn anders. Als ik in Zuid-Afrika ben, dan ben ik me er vooral van bewust dat ik een geprivilegieerde witte vrouw ben.”

U schrijft ook hoezeer u zich verwant voelt met de Duitse cultuur, hoe u opgroeide met Schubert en Goethe, hoe u zich thuisvoelt in Berlijn. Hoe heeft die Duitse cultuur de continenten en de eeuwen kunnen overbruggen?

„Na de Tweede Boerenoorlog waren de Afrikaners erdoor geobsedeerd zich een andere identiteit dan die van de Engelsen aan te meten. Maar welke moest dat zijn? Ze waren er niet in geïnteresseerd als de Nederlanders te worden. Nederland was te klein, te nietig. Duitsland daarentegen was groot, machtig, groeiende. En de bewondering voor Duitsland hield aan, ook na twee wereldoorlogen. Tijdens de tweede stonden de Afrikaners grotendeels achter Hitler. En terwijl het racisme in Europa na de oorlog werd uitgebannen, werd het in Zuid-Afrika een wet. Dus de Duitse denkwijze, de goede en de kwade, vooral de kwade, is bij ons diep verankerd. Wij zongen Schubert op school, met Goethes woorden in Afrikaanse vertaling. De apartheid heeft ook wortels in Nederlands gedachtegoed, zoals dat van filosoof Herman Dooyeweerd en zijn ‘soevereiniteit in eigen kring’. Afgescheiden werelden, ieder zijn eigen stukje grond, zijn eigen werk, en you don’t mix with us. En de Engelsen natuurlijk, maar die waren altijd al racistisch.”

Hoe bedoelt u?

„Hun taal, zijzelf, ieder ander is derderangs.”

Vrijstaat, Kroonstad, Bloemfontein – de namen van de plekken waar u opgroeide klinken zo idyllisch, hoopvol, utopisch.

„Een van de moeilijkste dingen in Zuid-Afrika is hoe je het gesprek over verandering aangaat zonder te klinken alsof je terugverlangt naar dat rijke, exclusieve verleden, waar de zwarte bevolking in de periferie leefde en alles wat mooi en goed was aan de witte bevolking was voorbehouden. Is dat wat je terug wilt? Nee. Je wilt een nieuw, beter heden.”

In uw reportages uit de jaren negentig blijkt hoe het toen ook niet uw beurt was, als witte vrouw, om aan het woord te zijn. Een vergelijkbare verschuiving vindt nu plaats in Europa en de VS.

„Ja, maar nu zijn het minderheden die op verandering aandringen. Er zal een moment komen dat jullie, de Nederlands sprekenden, in de minderheid zijn, en dan wacht de echte uitdaging.”

U bedoelt: zoals de witte bevolking er in Zuid-Afrika voorstond in de jaren negentig.

„Ja, er is een tijd dat je aan de macht bent. Maar die tijd gaat voorbij.”

In de stukken die u toen schreef over de Waarheids- en Verzoeningscommissie klinkt u optimistisch. En nu?

„Ha. De jaren onder Mandela waren magisch. Iedereen was vol optimisme, zelfs zij die het meest geleden hadden. Iedereen geloofde in verandering. Maar na Mandela werd alles steeds echter… En nu is alles zo ontzettend echt. Het is heel moeilijk om je voor te stellen hoe… Als het de huidige president niet wordt toegestaan drastische hervormingen door te voeren, staan we op het punt van revolutie.

„Een kwart van de Zuid-Afrikanen is werkeloos. Een kwart leeft in chronische honger. De tegenstellingen in Zuid-Afrika zijn zo intens, zo intens. Een deel van mij is mismoedig, want die armoede en die honger zijn een wereldwijd probleem en ook wereldwijd kunnen we er niet mee omgaan. Mensen drijven in bootjes naar jullie toe omdat ze in hun thuisland niet kunnen overleven. Er is een globale rechtstelling bezig, een cruciale rechtstelling, die je denk ik niet moet tegenhouden maar moet aanmoedigen.”

Maar de middenklasse in Zuid-Afrika groeit nu toch?

„Ja, het is de snelst groeiende middenklasse in de wereld. Maar het verschil tussen arm en rijk groeit ook, en met alleen hard werken wordt niemand meer rijk. De rijkdom zit bij hen die hem altijd al hebben.

„Er zijn minder witte mensen die in armoede leven, of die werkeloos zijn. Onder Zuma vatte zo het idee post dat de witte bevolking nog altijd schuld heeft aan alles, om maar af te leiden van de eigen corruptie en incompetentie. Die gedachte wordt iedere dag sterker: dat alles onze schuld is.”

Misschien is er een grens aan hoe lang de Afrikaners de schuld op zich kunnen nemen?

„Oh ja, is die er? Het is niet echt een kwestie van de schuld op je nemen of niet. Het is gewoon jouw schuld.”

Hoe dan ook?

„Hoe dan ook.”

Voor altijd?

„Voor altijd. We hebben nu een goede president, en als hij een paar radicale maatregelen kan nemen… Maar als het niet lukt om het land, werk, onderwijs, ziekenzorg, te hervormen, dan is dat het eind.”

En dan, direct na zo’n zin, kan Antjie Krog verrukt zijn over soep van pastinaak (witwortel in het Afrikaans) voor onze neus. Ik zeg haar hoe het me van de wijs brengt, hoe ze in haar poëzie de meest grote thema’s afwisselt met de meest prozaïsche, hoe het lezen steeds een kwestie is van heroriënteren.

„Een van de moeilijkste dingen is om het eigen leven in perspectief te zien. Maar Zuid-Afrika dwingt je daartoe. Wij zitten nu hier aan tafel en eten dit. Op straat speelt van alles. In Amsterdam moet je ver reizen om te denken: dit (wijst op het bord) had niet mogen gebeuren. Maar in Zuid-Afrika hoef je maar naar buiten te kijken om je af te vragen (met een blik op het bord): is dit immoreel? Veel mensen zeggen: Antjie, waarom altijd zo skuldig? Ik voel me niet schuldig maar ik ben me acuut bewust van hoe mijn leven is, en mijn situatie, en hoe die zich verhoudt tot de situatie in mijn land.”

Op de ene pagina in haar bundel Medeweten schrijft ze: ‘hoe ademt een mens te midden van al het geweld/ het doden de corruptie verkrachting het/ open- en uitzweren van mensenhaat in dit land/ het verschroeien en –scheuren van kinderen’. En een paar bladzijden verder: ‘een meisje vouwt haar hand open: ‘ik heb net op tijd een bij uit het water gered/ want ik praat Bij’s’ ze weet het en ze weet/ het ook niet: hoe ze met haar strakgebonden haren en boerenvoetjes al deelt in het waarachtige:/ niemand hoeft haar ooit iets over God te leren’.

„Natuurlijk, het kleine en het huiselijke is een uitvlucht. Maar tegelijkertijd kun je van Zuid-Afrikaanse poëzie niet zeggen: dit is een liefdesgedicht, en dit is er een over politiek, en deze gaat over natuur. Als het over liefde gaat, dan zijn de politieke voorvaderen daar. Als het over politiek gaat, gaat het over liefde en over land. Zelfs een baby’tje is doordrenkt van politiek: waar hij geboren is, hoe arm hij is, wat zijn kansen zijn om te overleven. Wat hem gelukkig zal maken, en wat zijn moeder gelukkig maakt.”

    • Nynke van Verschuer