Recensie

Yuja Wang zet klanken filmisch neer

Klassiek De Chinese pianiste Yuja Wang bewees met Rachmaninovs grillige ‘Vierde Pianoconcert’ in De Doelen nog eens dat ze alles aankan. De beeldende stijl van Wang en dirigent Yannick Nézet-Séguin maakte van de muziek opera zonder woorden.

Yuja Wang tijdens een eerder concert. Foto Ian Douglas

Wanneer talentvolle pianisten spreken over hun beperkingen, valt vroeg of laat haar naam. Op „dat is niet te doen”, volgt dan de verzuchting: „behalve voor Yuja Wang, want zij kan alles.” De Chinese bewees dat andermaal in Rachmaninovs grillige Vierde Pianoconcert, een werk waarin twee tijden krachtig botsen: de idyllische herinnering aan het Russische platteland en de lawaaiige chaos van de Amerikaanse stad. Zacht parelende nostalgie tegenover beukende werkelijkheid – Yuja Wang zette de klanken filmisch neer, alsof we de componist achterin een New Yorkse taxi zagen zitten, de ene keer verzonken in vredige dromen en dan weer wakker schrikkend van de warrelige dynamiek in de buitenwereld.

Rachmaninovs pianoconcerten vormen voor Wang instrumentale opera’s vol van pathos en drama. Wang bezit gevoel voor kunst en film, want beelden en kleuren waren haar herkenningspunt en houvast, toen ze op haar veertiende vanuit China naar de Verenigde Staten vertrok. Deze veelzijdigheid maakt haar een fascinerend pianiste, die niet alleen haar eigen instrument liet schitteren, maar die eveneens een kien oor had voor wat er aan moois bloeide om haar heen, in het Rotterdams Philharmonisch Orkest.

Behalve het Vierde Pianoconcert van Rachmaninov stonden op de lessenaars van het orkest en chef Yannick Nézet-Seguin twee symfonieën: Haydns La Passione en Tsjaikovski’s Vierde. Haydn viel ten prooi aan het romantische karakter van de andere twee stukken: de muziek wekte een romige en ernstige indruk, waar Haydn hier eerder lijkt te mikken op de puntige, speelse en theatrale aanpak van de Barok. Tsjaikovski’s Vierde Symfonie bleek – indachtig Rachmaninov – opera zonder woorden. De houtblazers waren de zangers, met een sterrol voor de vaak zo ondergesneeuwde fagot. Dirigent Nézet-Séguin ten slotte danste op Tsjaikovski’s noodlotsmotief zoals een torero met een stier: in het volle besef dat de levenslust groeit in de nabijheid van de dood.