Worstelen met te gladde of te stroeve schoenveters

Wekelijks stuit Karel Knip in de alledaagse werkelijkheid op raadsels en onbegrijpelijke verschijnselen. Deze week: het raadsel van schoenveters die steeds weer losschieten

Foto Istock

Down to earth, vandaag. Het gaat om de ervaringen van de man die vier jaar geleden zulke fijne schoenen kocht dat hij er dag en nacht op bleef lopen zodat hij na twee jaar moest vaststellen dat de schoenen weliswaar nog steeds pico bello waren maar de veters allang niet meer. Hij kocht een nieuw stel veters, eerst te kort, toen te lang, en daarna precies goed. Hij weet nu dat daar tabellen voor zijn: er is een nauwe relatie tussen het aantal oogjes (eyelets) waar de veters doorheen moeten en de optimale veterlengte. En en passant heeft hij geleerd dat de kleine kokertjes die van fabriekswege rond het eind van veters worden gemonteerd aglets heten. In het Nederlands: malies. Of nestels. Of veterstiften.

De nieuwe katoenen veters hadden de juiste lengte maar schoten toch tekort: ze waren te stroef. De oogjes van de schoenen in kwestie waren niet voorzien van grommets, dat zijn die holle klinknageltjes (‘doorvoerbuisjes’) die de meeste schoenen juist wel hebben. Ze voorkomen slijtage en uitscheuren van de oogjes, laten de aglets goed passeren en – heel belangrijk - verlagen de wrijving tussen de veter en het schoenleer. Het is geen doen om katoenen veters door grommetloze eyelets te trekken. Niet voor niets had de fabrikant zijn schoenen afgeleverd met kunststof veters.

Veters strikken

Waar wil hij toch heen, denkt de lezer. Terug naar een intrigerend artikel in de Proceedings of the Royal Society A dat een jaar geleden in deze krant werd besproken. Technici van de universiteit van Californië in Berkeley, aangevoerd door Chris Daily-Diamond, hadden ontdekt waarom de gangbare strik in de gangbare veters van gangbare schoenen altijd zo snel losgaat. Het komt, schreven ze, door de vaste combinatie van stampen én slingeren waaraan de wandelaar zijn voeten en schoenen onderwerpt – met een belangrijke rol voor de los zwiepende lussen en vetereinden. Het is met een Willie Wortel-achtige contraptie aannemelijk gemaakt.

Lees hier waardoor veters altijd zo snel losgaan

Het is een belangwekkend en fascinerend onderwerp, de uitgewerkte hypothese is origineel en het artikel brengt allerlei aardige wetenswaardigheden. Zo wordt nog eens uitgelegd dat er twéé uitvoeringen zijn van de strik die meestal in veters wordt aangelegd, niet iedereen weet dat. Er is een stevige strik met het basisbouwplan van een platte knoop, en een minder stevige met het plan van een ouwewijvenknoop. Het verschil in houdkracht is trouwens niet enorm.

Vreemd is dat het stuk het verschil niet goed illustreert. Wie er na enige oefening in slaagt ook eens de averechtse vorm te maken van de strik die hij altijd maakt stelt vast dat de twee strikken zichtbaar verschillen. De twee lussen (‘oren’) van de verkeerde strik wijzen in de langsrichting van de voet, één naar voren, één naar achteren, en die van de goede strik staan dwars op de voet. Dat heeft Daily-Diamond kennelijk nooit opgemerkt. Of: zijn veters wekten het verschijnsel niet op.

Lange lussen

Bij nader inzien gebruikte Daily-Diamond rare dunne veters (diameter 2 mm) waarin hij strikken met uitzonderlijk lange lussen en lange vetereinden legde. Anders zwiepten ze niet genoeg, waarschijnlijk. Opmerkelijk is dat hij de veters niet definieert: het waren ‘black (unwaxed) dress laces’ uit de winkel, meer krijgen we er niet over te horen. Bedenk: op kunststof veters wordt vaak - noodgedwongen - ‘wax’ of ‘finish’ aangebracht om ze wat stroever te maken. De veters van Daily-Diamond waren waarschijnlijk aalglad.

Aan het eind van het artikel wordt luchtigjes opgemerkt dat het Californische werk aan falende strikken nog lang niet af is en dat bijvoorbeeld nog niet gekeken is naar de aard van het vetermateriaal en van de finish daarop. De auteurs bedoelen dat de stroefheid van de veters, de wrijving van veter op veter in gebieden met zelfcontact, totaal buiten beschouwing bleef. Nota bene: terwijl knopen en strikken bijna uitsluitend hangen op wrijving, met maar een kleine rol voor buig- en rekspanning (zolang niet elastisch verende veters worden gebruikt). Je vraagt je af of wat Daily-Diamond heeft gevonden voor die rare dunne gladde veters (die ook veel te lang zijn) wel enige betekenis heeft voor de praktijk.

Hoe stroever hoe beter, misschien is dat wel de take home message. Het onvermijdelijke slijten neem je dan op de koop toe. Houd de lussen en vetereinden klein en klaar ben je.

Zou het niet mooi zijn als de veterfabrikant voortaan de wrijvingscoëfficiënt voor het veter-veter-contact op zijn veters bekend maakte? Voor natte en droge veters? Dat is de vervolgvraag. Maar hoe bepaal je die coëfficiënt?De simpelste manier om een indruk te krijgen van de zelfwrijving is: twee veters op een min of meer gestandaardiseerde wijze in elkaar draaien (vijf slagen, of tien, zoiets) en ze dan uit elkaar trekken. M. Khalid Jawed van het MIT beschrijft dit in Physical Review Letters (2015), eigenlijk had je het zelf kunnen bedenken.

Je kunt natuurlijk ook van drie gelijksoortige veters een vlecht maken en de derde veter tussen de twee andere uittrekken. En zo zal er nog wel meer zijn. De wrijving tussen veters en hun grommets is al heel eenvoudig te meten, bekijk het eens bij Wikipedia: de ‘capstan equation’. In het Nederlands: de meerpaalvergelijking.

    • Karel Knip