Recensie

Weer Paradiso, maar nu 23.000 concerten verder

Paradiso als poptempel

Ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van het legendarische Amsterdamse poppodium reconstrueerde popjournalist Hester Carvalho vijftig beroemde concerten aan de hand van tweehonderdvijftig ooggetuigenverslagen.

Paradiso is de mooiste popzaal van het land. ‘Dankzij de relatief kleine capaciteit van Paradiso, lijken de muzikanten er voor iedereen dichtbij’, schrijft Hester Carvalho in haar jubileumboek over het vijftigjarig bestaan van het muziekbolwerk. Het is een intieme arena, met die prachtige balkons, de kerkramen achter het podium, waar doorheen Gods licht op de sterren schijnt.

Vanaf de opening op 30 maart 1968 is Paradiso in de voormalige kerk aan de Amsterdamse Weteringschans het toneel van onnoemelijk veel memorabels. Carvalho, poprecensent voor deze krant, beschrijft de geschiedenis aan de hand van ‘50 legendarische concerten’. Het is een parade van hoogtepunten, zoals het een jubileumboek betaamt, een feest van herkenning voor wie erbij was of er graag bij was geweest.

Carvalho interviewde 250 ooggetuigen, vijf per legendarisch concert. Dat levert uiteraard mooie verhalen op. Paradiso was een paradijs, zegt oprichter Willem de Ridder, zij het, volgens een bezoeker, een stinkend paradijs, één grote as- en afvalbak, dampend van hippiezweet. Alles kon en alles mocht. Paradiso was de plek om te zijn, om stoned te worden, midden in wat in voorbije decennia de navel van de wereld was.

Legendarisch waren de vechtpartijtjes bij de deur, de dealers, de verstopte wc’s. De optredens van Deep Purple en Hawkwind, die de gevangenen van het naastgelegen Huis van Bewaring wakker hielden. Van Blondie, Joy Division, U2, ‘aardige jongens, een beetje saai’, zoals iemand zegt. Het zijn anekdotes, over hoe de vloer bijna instortte onder het gewicht van The Stranglers en fans, over de Hells Angels die nooit een kaartje kochten, of over Herman Brood toen hij nog op zijn handen kon staan.

De vijftig hoofdstukken hebben een min of meer vaste opbouw: een stukje tijdgeest, muziek- en cultuurgeschiedenis, waarna het concert volgt. De geïnterviewden worden allemaal met naam, leeftijd en baan geïntroduceerd, wat zorgt voor 250 varianten op zinnen als ‘Wim Pelt, zesendertig en leraar maatschappijleer aan een MBO in Houten, staat midden in de zaal.’ Ze hebben allemaal veel zin in de show. Bijna onvermijdelijk in de rockgeschiedenis zijn veralgemeniseringen als: ‘Zondag 27 november 1977 is de dag waarop Nederland definitief in de ban raakt van punk’, of ‘In 1987 ontdekt Nederland house en doem maakt plaats voor hedonisme.’ Dat mag zo lijken in Paradiso, maar het is onwaarschijnlijk dat de inwoners van Amersfoort of Zwolle de overgang van doem naar hedonisme ook zo hebben ervaren.

Carvalho maakt nieuwsgierig naar de rest van de 23.000 concerten sinds 1968. Naar de gewone avonden. De essentie van de werkweek vang je op dinsdag, niet op de vrijdagmiddagborrel. Nu is in haar boek alles even spectaculair, al worden de optredens de laatste jaren iets minder memorabel. Ook dat zal de tijdgeest zijn. Wie de hippies op hun kleedjes in de Grote Zaal had verteld dat ze er ooit niet meer zouden mogen roken, zou zijn aangekeken als een onheilsprofeet uit een extreme bad trip.

Het boek van Carvalho is een bewaar- en terugkijkboek, en een aansporing om weer eens naar Paradiso te gaan. De volgende vijftig legendarische concerten wil je niet graag missen.