Hoe schuldig is de vrouw die in het donker iemand doodreed?

Rechtszaak verkeersongeluk

Niemand rijdt doorgaans een ander met opzet aan. Maar wanneer is er sprake van ‘aanmerkelijke onvoorzichtigheid’? Over vermoeidheid achter het stuur, het gebruik van de cruisecontrol, diepe duisternis. En dan de klap, uit het niets. Hoe kun je in de rechtszaal bewijzen dat je wakker was?

Reed ze klaarwakker bovenop een onverlichte, langzamer rijdende voorligger op een stikdonkere snelweg? Stephan Hoerold

Was ze achter het stuur in slaap gevallen? Of was ze alleen maar moe en dus niet alert? Of was ze eigenlijk een gevaar op de weg? Waardoor Justitie haar ‘aanmerkelijke schuld’ kon verwijten? Reed ze inderdaad 143 km per uur, met de cruisecontrol aan, terwijl daar 130 is toegestaan? Waren de achterlichten van haar voorligger defect? Na de crash bleek dat diens lichtschakelaar op ‘aan’ stond. Maar in het enige achterlicht dat de klap overleefde bleken de stroomdraden gebroken. Maar of dat voor, tijdens of na de aanrijding gebeurde kon niemand vaststellen. Hoe hebben de twee auto’s elkaar kunnen raken?

Het proces in de rechtbank Lelystad hinkt die middag van de ene moeilijk beantwoordbare vraag naar de andere. Wie een verkeerszaak bijwoont denkt steevast: „Dat had mij óók kunnen overkomen”. De verkeersfout is meestal invoelbaar; het slachtoffer had even goed door de bliksem getroffen kunnen zijn, als door een auto.

Hier draait het om de nacht van 6 juli 2016 waarin om 00.20 uur een 26-jarige vrouw in haar VW Polo op de snelweg een klap voelde, zich automatisch schrap zette, keihard riep „Wat moet ik doen, wat moet ik doen” en telde hoe vaak ze over de kop sloeg – 3, 4, 5 keer. Waarna haar auto op z’n wielen landde, in de berm van de A27, voorbij Zeewolde.

Ze stapte uit, belde 112 en meldde dat ze hulp nodig had. Het was stikdonker. Tegen de eerste automobilist die stopte vertelde ze dat ze misschien in slaap was gevallen. Maar later ontkent ze dat te hebben gezegd.

In de ambulance vertelde ze verbaasd over de klap. Dat was vast de airbag, mevrouw, zei de broeder. Misschien bent u in slaap gevallen, suggereert een ander. Zo heeft ze haar verhaal gevormd, verklaart ze. Naar wat men haar vertelde. Er is in de berm nog een spoor gevonden, zegt een agent, maar dat was vermoedelijk oud. De politie noteert een ‘eenzijdig ongeval’. Ze is slachtoffer, geen verdachte. Pas als de sleepdienst en Rijkswaterstaat arriveren, wordt er beter naar het spoor gekeken. Er blijken papieren bij te liggen. Die zijn droog. Maar het gras is nat. De berger loopt het spoor af, eerst door gras, dat ongeveer een meter hoog staat. Dan door een rietkraag. Daarachter, in een sloot, ligt een auto, op de kop. In het water ernaast drijft iemand, het gelaat net boven water.

Ondersteboven

Achteraf stelt de lijkschouwer vast dat de man (58) de klap overleefde en zich uit de auto wist te bevrijden. Daarna verdronk hij, vermoedelijk al binnen vijf minuten. Hij wordt om 01.18 gevonden, een uur na de klap. Zijn auto kwam ondersteboven in de sloot terecht. Had hij gered kunnen worden? En hoe hebben de auto’s elkaar kunnen raken? Reed de vrouw klaarwakker bovenop een onverlichte, langzamer rijdende voorligger op een stikdonkere snelweg? Of was ze echt ingedommeld en schoot ze wakker van de klap?

In het ziekenhuis wordt ze formeel aangehouden. De opluchting is weg – nu is ze verdachte. De politie vraagt of ze in haar telefoon mogen kijken – ze blijkt een whatsappje te hebben verstuurd. Daarin zegt ze „in slaap te zijn gevallen”.

Haar auto blijkt schade rechtsvoor te hebben, de auto in de sloot linksachter. Het is aannemelijk dat zij tegen die auto is aangereden, waarna beide auto’s zijn gaan tollen en van de weg afraakten. Zij in de berm, hij in de sloot. Ze herinnert het zich niet. Geen auto gezien, geen achterlichten. Ze denkt dat ze op de rechterbaan heeft gereden, maar dat klopt niet met de schade van de aanrijding, rechtsvoor (zij) en linksachter (hij). Ze heeft alleen een klap gevoeld, en gehoord dus.

Dat ze even tevoren het tankstation bij Eemnes was gepasseerd en nog aarzelde tussen binnendoor rijden of de snelweg aanhouden – dat wist ze ook nog. Ze koos voor het laatste. Maar in slaap vallen?

Wás ze vermoeid? Ze vond zelf van niet. Ja, ze wilde naar huis. Maar wie niet, om half één ’s nachts. Het was een lange dag geweest. Ze was nog in de Randstad bij een kennis geweest, om te eten.

Ze herinnert zich dat het stil was geweest in de auto, hoe ze de afslag na het benzinestation passeerde en bewust de snelweg aanhield. Ze had niet gedronken; de ademtest had het bevestigd. Ze had stabiel gereden, dacht ze. Wel had ze vlak voor de klap „gestaard” zitten kijken, steeds recht voor zich. Ze legt het uit als voorzichtigheid. Normaal kijkt ze op de snelweg veel om zich heen „In de polder zie ik alle vogels.” Was dat toch niet vermoeidheid, dat ‘gestaard kijken’ vraagt de rechter. Zo ziet zij het niet. Het was er zo donker. Er was geen straatverlichting. Links en rechts alleen landerijen, dus ook geen omgevingslicht. Maar hoe hard reed ze dan? Ze is gewend met de cruisecontrol haar snelheid te regelen, vertelt ze, al naar gelang het toelaatbare. Dat was daar 130. Dat uit de reconstructie door de politie, aan de hand van het datageheugen uit de Polo, een snelheid van 143,25 bleek verbaast haar zeer. Het verschil in snelheid tussen de beide auto’s wordt vastgesteld op 40 tot 70 kilometer per uur.

Haar advocaat bestrijdt de juistheid van de gemeten snelheid. Die test was niet betrouwbaar; er was sprake geweest van foutmeldingen bij het uitlezen van de software.

Heeft ze na het ongeluk haar rijgedrag aangepast, vraagt de rechter. Ze denkt van niet. Ze had wel zeer grote moeite gehad om na het ongeluk weer de weg op te gaan; eerst met een vriendin ernaast, korte ritjes. Over haar eerste rit, vanuit de polder naar Amsterdam, naar de bedrijfsarts, deed ze anderhalf uur langer dan anders. Pauzeren, huilen, langzamer rijden. Ze is in therapie, waarschijnlijk PTSS. Ze is van baan veranderd en van woonplaats, omdat ze een „schone omgeving” wilde. Zodat haar niet regelmatig werd gevraagd of het „weer een beetje ging” na het ongeluk. Ze is nog steeds veel op de weg – ze kan niet zonder rijbewijs. En dat staat vanmiddag op het spel.

Inmiddels durft ze weer „normaal” te rijden, zij het dat ze „nooit meer de cruisecontrol aanraakt”. De rechter knikt.

Lees ook: De computerisering van de auto zorgt voor voortdurende gegevensstromen over wat er gebeurt terwijl je rijdt

Een vorm van ‘wegzakken’

De officier vindt bewezen dat de jonge vrouw te hard reed en te vermoeid was. Dat ze haar voorligger had moeten zien, dat ‘starend kijken’ een vorm van ‘wegzakken’ is. Dat ze meteen, vlak na het ongeluk, uit zichzelf begon over ‘in slaap vallen’ . „Als ze alert en volledig wakker was, dan was dit niet gebeurd.” En dat betekent dat haar een ‘aanmerkelijk mate van onvoorzichtigheid’ kan worden verweten, goed voor een werkstraf van 240 uur en een rijontzegging van een jaar. De wettelijke norm die de officier vanmiddag handhaaft is dat iedereen aan het stuur altijd fit moet zijn en de volle concentratie moet kunnen opbrengen.

Als ze alert en volledig wakker was, dan was dit niet gebeurd

De nabestaanden vorderen een schadevergoeding van 119.997 euro, vooral gederfd inkomen. De claim is één dag voor de zitting ingediend. De advocaat van de verdachte houdt het op vrijspraak. Zij kan even goed buiten haar schuld bij onverwacht slecht zicht op een voorligger met defecte achterlichten zijn gebotst, wie zal het zeggen. Dat haar cliënte geen concrete herinneringen heeft aan wat er precies vóór de klap gebeurde, mag niet worden gebruikt als grond voor de aanname dat ze ‘dus’ zou hebben geslapen.

Les lezen

De advocaat van de nabestaanden geeft een korte verklaring namens de familie van het slachtoffer, die met z’n tienen de voorste rij in de zaal innemen. De familie is „niet gekomen om iemand de les te lezen”. Aan de officier is gevraagd om ‘geen gevangenisstraf’ te eisen. Ze hopen wel dat aan het trauma een einde kan komen.

Wil de jonge vrouw gebruik maken van het recht op het laatste woord? Dat wil ze. Ze heeft een brief bij zich. Die blijkt gericht aan de familie van het slachtoffer die een meter achter haar op de eerste rij zitten. Vanaf de aanhef ‘lieve familie’ breekt haar stem en leest ze, snikkend en stamelend of de familie van het slachtoffer haar ooit kan vergeven? Dat ze „ieder bot in m’n lijf had willen breken” om die dood te kunnen voorkomen. Dat ze er enorm mee worstelt. Dat ze zich afvraagt hoe haar ouders ooit nog trots kunnen zijn op iemand die een ander heeft doodgereden. Op de tribune wordt mee gesnikt, door beide families, van verdachte en slachtoffer.

Lees ook: Als je zelf verdachte bent, wil je dat de rechter let op de oorzaak van je gedrag. En hoop je op een lage straf. Als slachtoffer vind je dat smoesjes

 Vonnis

Twee weken later veroordeelt de rechtbank haar tot een taakstraf van 240 uur en een rijverbod van 9 maanden waarvan 6 voorwaardelijk. De rechtbank vindt haar een ‘beginnend bestuurster’ die, hoewel vermoeid, haar cruisecontrol op 130 zette, vervolgens in slaap viel, haar auto niet onder controle had en een voorligger dood reed. Dat levert ‘aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijden’ op.

Haar verklaring meteen na de klap tegen de eerste automobilist die bij het ongeval stopte, dat ze in slaap was gevallen, vindt de rechtbank doorslaggevend. Haar formulering ‘starend kijken’ interpreteert de rechtbank als „een manier van kijken waarmee het onderdrukken van tekenen van vermoeidheid wordt beoogd”.

Omdat ze inmiddels geruime tijd rijdt zonder ongelukken is een feitelijk rijverbod van drie maanden voldoende.

Voor het inkomensverlies moeten de slachtoffers naar de civiele rechter. Ze moet wel de kosten van de uitvaart betalen en de kosten die de slachtoffers voor het proces hebben gemaakt: 862 euro. Over de zaak zelf zegt de rechtbank dat die „alleen maar verliezers kent”. En dat „een straf, in welke vorm ook, per definitie het leed niet kan wegnemen dat is ontstaan door het overlijden van het slachtoffer”.

    • Folkert Jensma