Eschers trappen begonnen in Italië

Tentoonstelling Het Fries Museum toont prenten en tekeningen die M.C. Escher op zijn reizen maakte – de kiem voor zijn latere ‘onmogelijke’ werk.

Castrovalva (1930), M.C.Escher Beelden The M.C. Escher Company B.V.

Hij was de klas uitgestuurd en zat zijn straf uit in een ander lokaal. Verveeld begon hij wat te bladeren door een tijdschrift dat daar lag, Le Scienze. Die dag zag Federico Giudiceandrea (62) zijn eerste twee Eschers, Waterval en Belvédère. Een jaar of dertien, veertien was hij.

Zijn derde Escher was de platenhoes van een band uit die tijd, Mott the Hoople. Op de cover stond Reptiles. Dat album kwam uit in 1969.

Maar pas in 1977, hij was 22 en studeerde elektrotechniek, begreep Giudiceandrea dat er een speciale band bestond tussen hem en de beroemde, Nederlandse graficus (1898-1972). In dat jaar bezocht hij een tentoonstelling van Escher in Florence, waar hij diens Italiaanse prenten zag. En hij herkende ze meteen. Dat Zuid-Italiaanse dorpje, net iets kegelvormiger getekend dan in het echt: Morano. Daar was zijn vader geboren. En dat andere bergdorp, een houtsnede: Rossano, waar zijn moeder vandaan kwam. Ze woonden er allang niet meer, maar toen de kinderen nog klein waren, gingen ze er elke zomer naar toe.

Ontroering was niet het goede woord, hij was verbijsterd. Dit was het lot.

Rossano, Calabria (1931) is nu één van de pakweg 150 Escher-prenten en 7 originele tekeningen in het bezit van Giudiceandrea, intussen topman van een internationaal bedrijf dat is gespecialiseerd in het scannen van hout. Federico Giudiceandrea is wereldwijd een van de belangrijkste Escher-verzamelaars. Vanaf 28 april is een aantal van zijn prenten en tekeningen, en ook die van andere bruikleengevers, te zien in het Fries Museum in Leeuwarden, op de tentoonstelling Escher op reis. De dorpjes van zijn ouders, maar ook andere landschappen en uitzichten. Trappen in Scanno, in de Abruzzen. Een afgrond in Castrovalva, in diezelfde bergen ten noordoosten van Rome. En van Stilleven met spiegel (1934) het steil aflopende straatje in Villalago.

Straatje in Scanno, Abruzzi (1930), M.C. Escher. Beelden The M.C. Escher Company B.V.

De aanleiding voor de tentoonstelling in het Fries Museum, staat heel eerlijk in de catalogus, is Leeuwarden-Fryslân Culturele Hoofdstad van Europa. „Het Fries Museum maakt in dat kader tentoonstellingen over vier culturele iconen die de stad heeft voortgebracht: Lourens Alma Tadema, Margaretha Zelle alias Mata Hari, Maurits Cornelis Escher en Saskia van Uylenburgh, vrouw van Rembrandt en dochter van de burgemeester van Leeuwarden.” Geen van die iconen woonde er lang, gebiedt diezelfde eerlijkheid te zeggen. Escher bijvoorbeeld, werd er geboren en woonde er vijf jaar, waarna zijn ouders verhuisden naar Arnhem. In Italië woonde hij twee keer zo lang, van 1925 tot 1935. Het waren zijn gelukkigste jaren, in de zon en de bergen, pas getrouwd en met twee kleine kinderen. Daarna volgden Zwitserland (hij haatte de sneeuw), België en, vanaf 1941, Baarn.

Per ezel over smalle paadjes

Federico Giudiceandrea kent Calabrië goed, de Abruzzen minder. Van Scanno bezit hij een prent van de litho Straatje in Scanno, Abruzzi (1930), maar gezien heeft hij het dorp nog nooit. Deze woensdagmiddag lopen hij, een paar medewerkers van het Fries Museum en enkele journalisten door Scanno, of liever: we glibberen voorzichtig de stenen trappen af, het is eind maart en er is onverwacht weer sneeuw gevallen.

De tijd heeft stilgestaan, lijkt het: nog exact dezelfde raamopeningen en deurposten als op de prent, zelfs de ringen voor de stokken om het wasgoed aan op te hangen, zijn er nog. Alleen de twee figuren in traditionele klederdracht ontbreken, de eerste rechts voor op de prent, de ander verderop in de schaduw. Giudiceandrea, wijzend naar een oude foto in het kleine, lokale restaurant: „Kijk, daar zie je die kleren ook. Dus die droegen de mensen in die tijd nog gewoon.”

Eschers onmogelijke structuren komen vooral in films terug: Van ‘Inception’ tot ‘Harry Potter’

Hetzelfde gebeurt in Villalago, van Stilleven met spiegel: alles klopt precies, je kunt het aantal ramen en deuropeningen erop natellen. Alleen in Castrovalva lukt het ons niet het juiste perspectief te vinden. Misschien stond Escher op een richel die we niet zien, hij reisde per ezel over smalle paadjes, hoogtevrees was hem vreemd.

Zwijgzaam en chagrijnig

Want zo werkte hij in het begin. Hij trok erop uit, soms een paar weken lang, vaak met één of twee vrienden. Zijn vrouw Jetta en de kinderen George en Arthur (Jan werd in 1938 geboren in België) bleven in de villa op de Monteverde Vecchio in Rome. Er zijn foto’s van die reizen bewaard gebleven, je ziet Escher steevast in knickerbocker, bijna altijd lachend in de camera.

Federico Giudiceandrea: „Pas later werd hij moeilijker, voortdurend in zijn atelier aan het werk, zwijgzaam en chagrijnig. Toen heeft zijn vrouw hem ook verlaten. Hij miste de bergen en de zon, denk ik. En hij brak maar niet door, dat stak hem ook. Hij werd pas aan het einde van zijn leven echt bekend. Tot die tijd teerde hij op het geld van zijn vader en zijn vrouw.”

Weer in Rome kon Escher de stad vaak niet goed uitstaan. Althans, niet overdag: te druk, te barok. ’s Avonds in het donker ging het hem beter af. Dan trok hij eropuit, een klapstoeltje mee, in de knoop van zijn jas een elektrisch zaklantaarntje om zichzelf bij te lichten. Met wit krijt tekende hij op zwart papier: Colosseum, Basiliek van Constantijn, San Georgio in Velabro, Sint-Pieter. Ook dat werden later houtsnedes, net als de tekeningen uit de bergen.

Escher tekende altijd heel precies wat hij zag: trappen, steiltes, perspectieven. En ook: planten, dieren, bomen. Waarschijnlijk is Stilleven met spiegel (1934), een litho, zijn eerste werk waarin hij twee werelden mengde op een manier die niet mogelijk is: het beeld van de straat kan nooit op deze manier zijn gevangen in een spiegel. Een paar jaar later, terug in zijn geboorteland, zou hij alleen nog maar zulke verinnerlijkte werkelijkheden maken, met water dat stijgt, eeuwige trappen en oneindige figuren.

Maar wie het weet, komt ook op veel van die latere houtsnedes en litho’s het zonnige verleden nog tegen. Heel duidelijk zie je het bij Modderplas (1952), een waterplas op een pad met bandensporen en voetstappen. De bossen van Baarn, lijken het, maar de bomen die worden weerspiegeld in de plas zijn niet inheems, het zijn de mediterrane pijnbomen van Pineta van Calvi (1933).

Tekeningen opgekocht

Escher lichtte dit samenvoegen soms ook zelf toe, in brieven aan Nederlandse vrienden als Bas Kist en Bruno Ernst. Over Waterval (1961): „Links onderaan: mos uit het Baarnsche bos. Achtergrond: Zuid-Italiaanse terrassen. Rechts onderaan: Zuid-Italiaanse bouwkunst, met name een ‘broodjes-gewelf’ dat waarschijnlijk Saraceens van oorsprong is. Ten Zuiden van Napels ziet men hele dorpen met dergelijke daken.”

Terwijl van de litho’s en de houtsnedes vaak nog tientallen prenten in omloop zijn, waren de tekeningen waarop hij zich baseerde uniek. In Baarn lagen ze opgeslagen, zodat hij ze kon gebruiken, maar na Eschers dood in 1972 zijn veel ervan verloren gegaan, althans: in handen van evenzoveel verschillende kopers terechtgekomen. Met name in de VS, waar het grootste deel van zijn erfenis werd opgekocht door kunsthandelaar Michael Sachs.

Lees ook de recensie van Escher op reis: Eindelijk krijgt Escher wind in zijn haar en vuil aan zijn schoenen ●●●●●

Giudiceandrea heeft er een paar weten te bemachtigen. Eén van een klooster in Calabrië, Rocca Imperiale (1930). Een andere, dierbaarder tekening is die van een knoestige boom uit het geboortedorp van zijn moeder: Rossano, boom (1930). Rechtsboven zie je, in potlood, de plaatsnaam en de precieze datum. Een jaar later voegde Escher ook deze tekeningen weer samen in een uitzicht dat nooit zo heeft kunnen bestaan: Klooster bij Rocca Imperiale, Calabria (1931).

Escher op reis, Fries Museum Leeuwarden, 28 april t/m 28 oktober. De audiotour is ingesproken door Pierre Bokma en Peter Greenaway (Engelse versie). Meer info: friesmuseum.nl
    • Gretha Pama