Thé Tjong-Khings perfecte strip ‘Iris’ uit 1968 is actueler dan ooit

Thé Tjong-Khing De experimentele beeldroman ‘Iris’ van Thé Tjong-Khing (84) uit 1968 is vijftig jaar later een schitterend en actueel verhaal over identiteit en manipulatie. Vrijdag verschijnt een aangevulde heruitgave. Vijf ballen.

Natuurlijk heeft het hem verrast. Zijn beeldroman Iris, met de curieuze ondertitel ‘een roman voor kijkers’, heeft vijftig jaar later niets aan visuele kracht ingeboet, maar vooral: het verhaal van Lo Hartog van Banda (1916-2006, schrijver van onder meer Ti-Ta Tovenaar, De Bereboot en de Toonderstrips Koning Hollewijn en Panda) staat als een huis en heeft bijna een voorspellend karakter gekregen.

Thé Tjong-Khing Foto ANP/ Rudy Vrooman

Striptekenaar en kinderboekenillustrator Thé (Thé is zijn familienaam, Tjong de generatienaam en Khing zijn voornaam) zag aanvankelijk niks in een heruitgave. „Ik heb niet veel met mijn oude werk. Dat ligt achter me. Ik heb het gevoel dat ik nu beter teken dan vroeger. Mijn nieuwe boek wordt altijd beter dan het vorige. Dat is de wortel die voor me hangt.”

Maar toch. Toen hij een paar jaar geleden op de hoogte werd gebracht van het voornemen om Iris opnieuw uit te brengen, keek hij het weer eens in, na al die jaren. Direct viel het Thé op: Iris is qua onderwerp zelfs heel actueel. Lachend: „En de tekeningen konden er ook nog mee door.”

Dat Iris zo naadloos aansluit op de discussies over datamisbruik van Facebook en de afhankelijkheid en ondoorzichtige macht van techreuzen is frappant. Wat gebeurt er met je als iemand je identiteit overneemt en jouw beeld voor de buitenwereld bepaalt? Het overkomt de jonge actrice Iris, die door een zogenoemde Droomkoning wordt uitgekozen een ster te worden. Iris bezwijkt voor de verlokkingen van het sterrendom, ondanks de waarschuwingen van haar vriend Mark, die de schimmige Droomkoning en zijn entourage niet vertrouwt.

Pagina uit Iris.

Al snel ontdekt Iris dat het beeld dat van haar geschapen wordt nep is: ze is een willoze 3D-projectie en haar fans dwepen met natuurgetrouwe Iris-poppen. De Droomkoning houdt haar voor: je bent niets, behalve het beeld dat ik van je geschapen heb. Dat is wat de mensen willen, dit is wie je zal zijn: iedereen heeft recht op Iris. Dan besluit Iris dat er een grens is overschreden. Ze wil zélf iemand zijn.

Vermoeden

Thé ziet overeenkomsten met de tegenwoordige persoonlijkheidscultus die wordt uitgedragen door Facebook, YouTube en populaire vlogs. „Iedereen maakt een ideaalbeeld van zichzelf en presenteert zich zo aan de buitenwereld. Je bent je eigen perfecte versie. Daar is het moeilijk aan ontsnappen. Iris vecht in het verhaal tegen haar projectie, tegen haar manipulator. Zij wil dat de mensen haar zien zoals ze echt is, ondanks de status en de roem. Nu is dat omgekeerd. Ik denk dat je heel sterk moet zijn om je daartegen te wapenen. Als jouw beeld, jouw imago, populair is, dan zul je dat niet snel veranderen. Het bepaalt voor een groot deel wie je bent.”

Het treft Thé dat de actuele betekenislaag moeiteloos over het verhaal kan worden gelegd. Iris kwam destijds naar eigen zeggen organisch tot stand, met slechts een vage notie waar het verhaal naartoe zou gaan. Steeds als er een hoofdstuk af was, bespraken Thé en Hartog van Banda het vervolg. „Zo ontvouwde het verhaal zich. Het moest gaan over manipulatie, over iets waaraan niet te ontsnappen is. Het gaat nadrukkelijk over wat we niet zien, hooguit wat we vermoeden.”

Uit Iris

Deze werkwijze kwam voort uit wederzijds respect. Volgens Thé waren hij en Hartog van Banda aan elkaar gewaagd, steeds op zoek naar manieren om de ander te verrassen. „Ik herinner me dat ik de Droomkoning als een iel, gefrustreerd mannetje had getekend. Lo had er een heel ander beeld bij. Hij zei: nu moet ik het verhaal helemaal omgooien, en dat gebeurde ook.”

Met een open einde gaven de makers al in 1968 aan dat toekomstige generaties alert moeten blijven. Toch was Thé beducht er een pamflet van te maken. „We wilden geen moralistische preek van hoe de wereld ten onder gaat. Het idee dat we aan alle kanten gemanipuleerd worden, leefde toen al wel. Maar echt, ik wilde in eerste instantie de perfecte strip tekenen.”

Uit Iris.

Dat idee had vooral met vrijheid te maken. Vanaf de tweede helft van de jaren vijftig werkte Thé bij de Toonder Studio’s aan strips als Het dagboek van Marion, en sinds 1962 aan de serie Student Tijloos, die hij samen met Lo Hartog van Banda maakte. Beide titels hadden het strakke keurslijf van een krantenstrip. De artistieke vrijheid van Iris was voor Thé een duidelijk breekpunt.

Ook in het grotere geheel was Iris anders dan wat er tot die tijd in Nederland was verschenen: zo had Hartog van Banda geregeld dat het bij De Bezige Bij zou verschijnen, als een beeldroman, of zoals hij het in zijn voorwoord noemde: een boek voor kijkers, waarin het accent meer komt te liggen op impressies en emoties dan op de gebeurtenissen. Dit vertaalde zich in het album naar een experimentele vormgeving met felle kleuren, die aansloot bij de tijdgeest van flowerpower en pop-art.

Twiggy

Het forse dossier dat in de heruitgave is toegevoegd staat uitvoerig stil bij de tijdgeest en met name de voorgangers van Iris: van de sf-strip Barbarella van Jean-Claude Forest uit 1962, via de psychedelische strips Les aventures de Jodelle en Pravda van de Belg Guy Peellaert, naar de Beatles-tekenfilm The Yellow Submarine. Vooral die laatste kon op Thés sympathie rekenen: „Ik hou erg van die heldere kleuren en de gesloten lijnen; de zwierige ronde vormen. Dat vond ik echt vernieuwend. Zo’n boek als Pravda heb ik even ingekeken, maar verder niet.”

Wat Thé wel overnam van de genoemde albums was dat het hoofdpersonage was gemodelleerd naar een bestaand idool. Barbarella was afgeleid van Brigitte Bardot, en de heldinnen van Peellaert van Sylvie Vartan en Françoise Hardy. Iris, met haar korte koppie, was het evenbeeld van Twiggy. „En niet alleen qua uitstraling”, zegt Thé met nadruk. „Twiggy was ook meer een beeld. Zij stond voor het gevoel van die tijd, ze was niet beroemd om wat ze zei of vond. Ze was een cultfiguur om hoe ze eruitzag.”

Behalve het toegevoegde dossier in de heruitgave verschilt ook de strip zelf van de oerversie. De Iris van vijftig jaar geleden was voor de helft in kleur, want kleurendruk was erg duur. En over de oorspronkelijke kleurenpagina’s was Thé niet bijster enthousiast. „Voor het inkleuren was een systeem bedacht dat van geen kant werkte. Ik zou nummertjes in de vlakken zetten. Daarna kleurde iemand anders het in. Het werd een chaos. Voor mij was het vreselijk lastig omdat je het niet voor je ziet, alles moest op gevoel. Drie is oranje, groen is twaalf, dat is niet te doen. En dan ging er tijdens het inkleuren ook nog genoeg mis.”

Vormgever Rudy Vrooman, die ook het dossier voor zijn rekening nam, kleurde alle pagina’s opnieuw in, herzag de opmaak en heeft van het album een belevenis gemaakt. En volkomen terecht: een verhaal dat na vijftig jaar niets aan kracht heeft ingeboet en bovendien een uitzonderlijke positie inneemt in de Nederlandse stripgeschiedenis, verdient deze liefdevolle en complete aanpak.

Pagina uit Iris.