Sporen gifgas zijn lang terug te vinden

Syrië

Inspecteurs van de OPCW mogen de vermoedelijke gifgasaanval op het Syrische Douma nog steeds niet onderzoeken. Maar sporen blijven maanden bewaard in de lichamen van slachtoffers.

Na de vermoedelijke gifgasaanval op Douma begin deze maand worden jonge slachtoffers behandeld. De foto is gemaakt door Witte Helmen, hulporganisatie in het Syrische rebellengebied. Foto Witte Helmen/AP

Nog steeds hebben OPCW-inspecteurs geen toegang gekregen tot het Syrische Douma dat op 7 april werd aangevallen met chloor en – waarschijnlijk – zenuwgas. Tientallen burgers kwamen om, een veelvoud raakte gewond. De OPCW, belast met uitvoering van het verdrag dat chemische wapens verbiedt, onderzoekt mogelijke verdragsschendingen op eigen initiatief.

De nieuwe Fact Finding Mission (FFM) moet informatie vergaren over de toedracht: welke middelen werden ingezet, hoe en waar gebeurde dat.

Wíé de middelen inzette, blijft in het midden. Tot oktober vorig jaar werd dat onderzocht door het Joint Investigation Mechanism, een gecombineerd optreden van VN en OPCW met een mandaat van de Veiligheidsraad. Maar in oktober blokkeerde Rusland een nieuw mandaat.

Kunnen twee weken na een aanval nog bewijzen worden gevonden voor de inzet van gifgassen? Wie de rapporten van eerdere FFM’s leest, twijfelt niet: gebruik van chloor en zenuwgas (zoals sarin) laat in mensen, dieren, planten en omgeving voldoende sporen achter om zelfs na vele weken nog conclusies te kunnen trekken.

Medische dossiers en getuigen

In 2014 kon de OPCW pas drie maanden na aanslagen met gifgas op een aantal stadjes in Syrië onderzoek doen, en toch concludeerde ze „met hoge mate van vertrouwen” dat chloor was gebruikt. Ze oriënteerde zich daarbij primair op medische dossiers en latere verklaringen van artsen, paramedici, getuigen en slachtoffers. Wat meehielp is dat de geur van chloor door iedereen herkend wordt. Ook planten reageren karakteristiek op chloor.

Natuurlijk wil een FFM zo snel mogelijk ter plaatse zijn. Toen vorig jaar op 4 april Khan Shaykhun met sarin werd aangevallen, was men binnen 24 uur in de buurt, snel genoeg om persoonlijk aanwezig te zijn bij autopsies en bij het verzamelen van bloed- en urinemonsters van overlevende slachtoffers. Heel kort na een aanslag zijn ook de herinneringen van getuigen nog scherp.

Zelf-verzamelde biomedische monsters en zelf-afgenomen verklaringen ziet de OPCW als primair bewijsmateriaal. Materiaal dat door derden is vergaard, waaronder ook bodemmonsters, wordt alleen geaccepteerd als terdege is gedocumenteerd hoe het is verkregen. Voor foto’s en films geldt hetzelfde. Steeds wordt nagegaan wanneer en waar die gemaakt zijn, maar daarna kunnen ze ook doorslaggevend zijn voor een reconstructie.

Toen de OPCW in 1997 werd opgericht, voorzag zij zich van de medewerking van een twintigtal goed geoutilleerde chemische laboratoria (designated laboratories) die vooral grondmonsters en munitie zouden moeten onderzoeken. TNO in Rijswijk, gezaghebbend op dit terrein, was er één van. De uitkomsten van biomedisch onderzoek aan bloed, speeksel, urine en dergelijke werden destijds nog niet als bewijs geaccepteerd. Daarmee liep de OPCW achter op de technische ontwikkelingen van het moment.

Lees ook; ‘Krachtig antwoord’ op de gifgasaanval, maar wanneer?

Toen in 1984 tijdens de oorlog tussen Irak en Iran (1980-1988) duidelijk werd dat Irak mosterdgas had ingezet, kwam het bewijs daarvoor in eerste instantie van onderzoek aan teruggevonden munitie (en van de karakteristieke blaren bij Iraanse soldaten). In 1985 ontdekten TNO-onderzoekers in Rijswijk in de urine van Iraanse slachtoffers die in Europa werden behandeld opmerkelijke hoeveelheden thiodiglycol (TDG), een karakteristiek omzettingsproduct van zwavel-mosterdgas (Journal of Analytical Toxicology). De vraag was of dit als bewijs kon dienen voor blootstelling aan mosterdgas. Dat bleek niet helemaal het geval; ook langs andere weg kan TDG in urine terechtkomen, maar statistische verwerking van urine-analyses van meerdere slachtoffers kon op zijn minst een sterke aanwijzing opleveren (zelfde blad, 1988).

De betekenis van biomedische analyses voor het aantonen van blootstelling aan gifgassen is in dertig jaar enorm toegenomen en wordt intussen door de OPCW erkend. Er is een tweede groep gevormd van laboratoria die vooral sterk zijn in dit soort analyses. Ze komen ten dele uit de eerste groep; TNO behoort er ook weer toe.

De OPCW-aanpak

Hoezeer de OPCW-aanpak is veranderd, blijkt uit een opmerkelijk artikel in Forensic Toxicology van vorig jaar. TNO-onderzoekers in Rijswijk en een eveneens designated laboratory van de Duitse Bundeswehr in München beschrijven er de analyse van biomedisch materiaal (bloed, haren, ooglens en biopten uit diverse organen) van een Syrische vrouw die eind april 2013 omkwam bij een aanval met sarin. Het was enige weken na haar dood verzameld door een VN-missie en is later aan de OPCW overhandigd.

Het artikel legt de nadruk op de veelheid van gevoelige technieken die beschikbaar zijn gekomen, want in álle monsters werden sarin of specifieke omzettingsproducten van sarin teruggevonden. Op huid en haren werden zelfs resten gevonden van een bijproduct van de sarinsynthese in de fabriek.

Door die veelheid aan wezenlijk verschillende technieken is de overtuigingskracht van de biomedische analyses enorm toegenomen, zegt TNO-onderzoeker Daan Noort, een van de auteurs. Essentieel is ook dat nog vele weken na blootstelling in bloed en weefselmonsters sporen van zenuwgassen zijn terug te vinden. (Voor urine geldt dat niet.)

Dit komt doordat zenuwgassen zich niet alleen sterk hechten aan het enzym acetylcholinesterase (zie kader), maar ook aan een vergelijkbaar enzym dat in ruime mate vrij in bloed aanwezig is, butyrylcholinesterase, en aan eiwitten als albumine. Er zijn prachtige technieken ontwikkeld om fragmenten van die zenuwgas-eiwit/enzym conjugaten (‘adducten’) te analyseren, waarmee een blootstelling aan zenuwgas overtuigend kan worden aangetoond.