Opinie

Ook een donorkind heeft rechten. Regel dat dan

Ouderschap De voortplantingsindustrie dendert voort. En de politiek gedoogt. Terwijl ze juist nieuwe grenzen moet stellen, stelt
Illustratie Jenna Arts

Er is een nieuwe wereld ontstaan waar niemand vat op heeft: buiten het zicht van velen groeit de internationale handel in commerciële eicellen, zaad en zelfs in embryo’s. Nederlandse vrouwen in de veertig en vijftig kopen voor duizenden euro’s buitenlandse eicellen in een Spaanse of Griekse vruchtbaarheidskliniek. Zo zien ze hun kinderwens alsnog in vervulling gaan.

Het is maakbaar ouderschap in optima forma – en de Nederlandse veertigplus vrouwen staan daarin niet alleen. Homostellen huren een Amerikaanse draagmoeder in (kosten: circa 100.000 euro); vrouwen vriezen rond hun vijfendertigste hun eicellen in; onvruchtbare stellen roepen via Facebook onbekende vrouwen op een eicel af te staan; een homostel bundelt zijn krachten met een lesbisch stel, waardoor hun kindje vier ouders krijgt.

Late moeders

Het aantal baby’s dat wordt geboren uit Nederlandse veertig- en vijftigplus vrouwen die gedeeltelijk of geheel niet genetisch aan hen verwant zijn, stijgt. Nederlandse gynaecologen en verloskundigen hebben steeds vaker met hen te maken. Weliswaar mag je in Nederland niet zwanger raken van anonieme zaad- en eicellen, mag je ze niet kopen en mag je boven je vijftigste jaar niet op kunstmatige wijze nog moeder te worden, maar is dat gebeurd in het buitenland, dan kan er niet veel tegen worden gedaan.

Hetzelfde geldt voor commercieel draagmoederschap: in Nederland is dat niet toegestaan, maar reizen Nederlanders af naar Amerika of Georgië voor deze reproductieve diensten, dan worden ze niet tegengehouden. ‘Nederlandse vruchtbaarheidstoeristen’ worden ze ook wel genoemd, een term waar ze zelf van gruwen. Alsof je op zonvakantie gaat en als souvenir een baby meeneemt.

En wat doet de Nederlandse politiek? Die hangt naar goed Nederlands gebruik het gedoogbeleid aan. Blij zijn de politici niet met de groeiende groep Nederlandse vruchtbaarheidstoeristen en de baby’s die zijn ontstaan uit eiceldonatie en commercieel draagmoederschap, maar verbieden doen ze het ook niet. Er is tenslotte vrij verkeer van goederen en diensten binnen de Europese Unie, en is het krijgen van een kind niet een privé-beslissing?

Toch, politici zouden als ideaal moeten hebben dat ze de samenleving willen vormgeven. Dat ze hun invloed en vaardigheden willen inzetten om nieuwe ontwikkelingen in goede banen te leiden. Dat degenen die nog niet voor zichzelf kunnen opkomen, op hun volle aandacht en denkkracht kunnen rekenen. Dat er zoiets is als een overstijgend, maatschappelijk belang in plaats van een partij- of een ideologisch belang.

Lees ook: Filosoof Marcel Zuijderland voorspelt dat homoseksuele stellen als eersten kinderen in het lab zullen maken.

Dat geldt ook - en zeker - voor de kinderen uit regenbooggezinnen, de kinderen geboren uit eiceldonatie en/of zaaddonatie, de kinderen van late moeders en van stellen met vruchtbaarheidsproblemen en voor de kinderen die worden geboren uit commercieel draagmoederschap.

Omdat de Nederlandse politiek zich niet van haar taak kwijt – waar is het democratisch debat over dit onderwerp, waar blijven het beleid en de regels? – zetten rechters nieuwe normen uit en bakent jurisprudentie de grenzen af. En zo belanden baby’s en kinderen als speelbal in veelal onverkwikkelijke rechtszaken.

Neem baby Hayley. Een getrouwd homostel uit Enschede werd in mei 2017 ‘wensvaders’ van dochtertje Hayley. Zij vonden een Nederlandse draagmoeder bereid hun kind te dragen tegen een vergoeding. Eén van de twee homo’s leverde het zaad, de draagmoeder gebruikte haar eigen eicel. Zo werd zij de biologische moeder. Het drietal sprak af dat de vrouw, na de inseminatie van het donorzaad, enkel ‘veilige seks’ zou hebben met haar man, zodat hij niet de vader kon zijn. De mannen richtten een kinderkamer in, onderhielden een hartelijk contact met de draagmoeder en mochten bij de bevalling zijn.

Baby Hayley werd geboren en kwam bij het stel in Enschede te wonen. Tot de draagmoeder plotseling om een DNA-test vroeg: het kind bleek toch te zijn verwekt door haar echtgenoot. Beiden eisten daarop hun biologische dochter terug. De rechter gaf de draagmoeder gelijk en nadat Hayley twee weken bij haar wensvaders had gewoond, haalde Jeugdzorg het meisje weg en bracht het terug naar haar biologische ouders. Uiteraard tot groot verdriet van de wensvaders.

Waar is het meisje het beste af, is moeilijk te zeggen: bij haar wensvaders of bij haar biologische ouders. Eén ding is wel zeker: getouwtrek om een kind is altijd onwenselijk. En door het ontbreken van regels, en de daarop volgende informele manier van regelen, is de kans op conflicten en verwarring groot.

Bittere strijd

Al die verschillende groepen die met elkaar een gezin vormen is een veelkleurige realiteit in een samenleving waarin mensen opener voor hun kinderwens uitkomen en waarin er ook veel meer mogelijk is dan vijftig jaar geleden. Dat is een mooie verworvenheid. Anderzijds kunnen de nieuwe vruchtbaarheidsmogelijkheden ook een bittere strijd opleveren rondom ‘eigendomskwesties’ van de al dan niet gekochte baby’s. Voor deze kinderen zijn er nieuwe maatregelen nodig, om hun belangen goed te kunnen behartigen.

Dat vond de Commissie Staatsherijking Ouderschap ook; anderhalf jaar geleden kwam zij met een dik rapport vol concrete voorstellen en adviezen aan de Nederlandse politiek, waarin het belang van het kind centraal wordt gesteld. Dat is een belangrijke aanbeveling, en die werd dus al eind 2016 gedaan door een staatscommissie waarin juristen, ethici, sociologen, pedagogen en gynaecologen zitting hadden.

Lees ook: Je eigen kind, in de buik van een andere vrouw

Neem bijvoorbeeld de ‘ontstaanswijze’ van donorkinderen. Wellicht vinden zij later dat ze niet op deze wijze verwekt hadden willen worden. Zij kunnen vinden dat hen willens en wetens het recht is ontnomen om hun biologische vader en/of moeder te kunnen achterhalen.

Dat vinden de zogenaamde KID (kunstmatige inseminatie donor)-kinderen nu ook: deze kinderen werden vanaf de jaren zeventig tot 2004 geboren met behulp van zaad van anonieme donoren. Volgens schattingen zijn er veertigduizend KID kinderen in Nederland. De woedende reacties van deze inmiddels volwassen donorkinderen hebben tot een debat over het belang van het ongeboren kind geleid en ten slotte tot het opheffen van de anonimiteit van donoren.

Zijn de eiceldonatiekinderen van nu niet de KID-kinderen van toen, immers ook verwekt door een anonieme donor?

De Commissie Staatsherijking Ouderschap ziet dit risico en pleit dan ook voor het opzetten van een register ontstaansgeschiedenis: het kind moet zijn ontstaansgeschiedenis kunnen achterhalen, het heeft recht op informatie. Daarbij horen ook: rechtszekerheid vanaf de geboorte en zeer zorgvuldige procedures met betrekking tot ouderschap, gezag en draagmoederschap, waarbij de belangen en de rechten van de kinderen de eerste overweging zijn. Steeds weer moeten we de vragen stellen: Moet en mag alles wat kan? Wat is goed ouderschap? Wie moet er wettelijk zorgdragen voor het kind als er meerdere ouders (genetisch, biologisch of als opvoeder) in het spel zijn?

De commissie wil de wetgeving rondom ouderschap veranderen en heeft een gewaagd voorstel in petto: maak meervoudig ouderschap juridisch mogelijk. Het zou wettelijk mogelijk moeten worden dat een kind meer dan twee ouders heeft. Een derde of vierde ouder mag dan ook op de geboorteakte staan en meebeslissen – bijvoorbeeld als het kind in het ziekenhuis komt te liggen.

Omstreden voorstel

Het voorstel is omstreden. Het vraagt ook veel van alle betrokkenen: nog vóór de conceptie van het kind moeten alle belanghebbenden met elkaar overleggen en vastleggen hoe ze het kind zullen opvoeden. Natuurlijk kan zo’n overeenkomst leiden tot conflicten, dat zien de commissieleden ook, maar anderzijds proberen zij met dit voorstel rechten, belangen en de rol die verschillende mensen in het leven van een kind spelen op vernieuwende en eerlijke wijze af te wegen. Een ander voorstel waaruit blijkt dat ze de wens van het kind serieus nemen, is deze: vanaf acht jaar moeten kinderen worden gehoord in procedures rondom afstamming en gezag.

Ook erkent de commissie dat niet elke ouder per se een genetische band met zijn of haar kind heeft en stelt zij voor om de term ‘afstammingsrecht’ te vervangen door ‘verwantschapsrecht’, en de term ‘bloedverwantschap’ te veranderen in ‘verwantschap’. Het ‘erkennen’ van een kind zou voortaan het ‘aanvaarden van het ouderschap’ moeten heten, omdat ‘erkennen’ kan worden misverstaan als de erkenning van het bestaan van een genetische band, terwijl dat niet per se het geval is. En de donor die een nauwere band wil met het kind, moet ook geholpen worden: het moet mogelijk worden gemaakt dat het ouderschap van een donor die ‘in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat’, gerechtelijk wordt vastgesteld. Onderdeel van de ouderlijke zorgplicht is om een vorm van contact tussen enerzijds kind en anderzijds donor of de niet-anonieme draagmoeder niet te frustreren.

Zes weken bedenktijd

Draagmoederschap moet volgens de commissie juridisch beter worden geregeld, met name voor buitenlandse draagmoeders die een kind voor een Nederlands stel of een Nederlandse wensouder dragen. Er moet een wettelijke regeling komen die garandeert dat het traject van draagmoederschap zorgvuldig verloopt. Zo staat er in het rapport dat ouders die afspraken maken met een draagmoeder niet gemakkelijk onder dat contract kunnen uitkomen (bijvoorbeeld als de baby gehandicapt is). Anderzijds krijgen draagmoeders zes weken bedenktijd na de geboorte van het kind.

Het is een dappere poging om een antwoord te geven op de complexe gezinswerkelijkheid van de 21ste eeuw. Het kabinet Rutte III met coalitiepartners VVD en D66 enerzijds en CDA en ChristenUnie anderzijds, ziet de gevoelige medisch-ethische en levensbeschouwelijke thema’s in het rapport als mogelijke splijtzwammen.

Toch zal dit kabinet, en met name minister Dekker van Rechtsbescherming, de Nederlandse realiteit van eiceldonatiekinderen en regenbooggezinnen onder ogen moeten zien. Niet nóg een ‘verkenning’ op dit thema en een inhoudelijke reactie in 2019, er ligt al een prachtig en bruikbaar rapport. Zet die voorstellen en adviezen om in beleid, en laat het democratisch debat in de Tweede Kamer bepalen of het familierecht wordt vernieuwd. Laten we reëel zijn: de voortplantingsindustrie dendert door. En de regenbooggezinnen, de late moeders, de grote gezinnen-nieuwe-stijl met stiefkinderen, halfbroers en -zussen zullen niet verdwijnen.

Zet daarom nieuwe grenzen uit in een nieuwe wereld.