De onvermoede voordelen van ‘zinloos’ wachten

Geduld Wachten heeft vele vormen – van wachten op de broodrooster tot wachten op de terugkeer van Jezus. Floor Rusman, wachtkamerfan, bezingt de onvermoede voordelen.

Foto Getty Images/Klaus Vedfelt

Ik zit op de fiets naar de dokter en verheug me nu al op de wachtkamer. In mijn tas een thermoskan koffie, twee kranten en een boek: er kan niets meer misgaan. Hopelijk loopt het schema een beetje uit, anders kom ik niet toe aan de kranten, laat staan aan de leestafel met tijdschriften als Fabulous Mama en Onze Hond. Er bestaat niets ergers dan midden in een spannend interview met een hondeneigenaar door de intercom te horen: „Floor Rusman mag naar kamer 7 komen.”

Maar soms komt het dáár niet eens van, omdat ik afgeleid word door het bestuderen van de medewachters. De mensen in een wachtkamer hebben doorgaans dezelfde neutrale, naar somberheid neigende uitstraling. Een nieuweling wijkt de eerste minuten af omdat er nog wat buitenwereld aan hem kleeft: een glimlach, een vleugje kou, de geur van de straat. Daarna verliest hij leven en gaat hij op in de wachtende massa.

Laatst zag ik een jonge vrouw in de wachtkamer heel zacht huilen achter een gordijn van halflang haar. Die verdwijntruc was bijna gelukt: behalve ik keek iedereen op z’n telefoon. Wat is erger om in gezelschap te doen, stiekem of openlijk huilen? Dat soort vragen komt bij me op in de wachtkamer.

Wachten heeft een negatief imago. Terecht ook, in veel gevallen. Wachten wordt steeds meer iets voor het plebs: de elite kan zich een weg langs de rij op het vliegveld kopen en verkeert minder in de wacht bij de schuldhulpverlening, het UWV en de Belastingdienst.

Er zijn genoeg vormen van wachten die ik ook verschrikkelijk vind. Als ik stilsta achter iemand die de roltrap blokkeert, moet ik me beheersen om niet te duwen. Ik heb jarenlang een tweede telefoonabonnement gehad omdat de wachtmuziek van Telfort tussen mij en het opzeggen stond. En wanneer internet op mijn telefoon hapert, sta ik regelmatig op het punt om hem stuk te gooien tegen de muur.

Maar daartegenover staan de fijne vormen: wachten op lekker eten, wachten op een geliefde, en wachten in de wachtkamer dus, of nog beter, op het vliegveld. Waarom vind ik sommige vormen van wachten fijn en andere vreselijk?

Literatuur over de wachtrij

Wachten heeft veel gedaanten, het bevat alles tussen wachten op de broodrooster en wachten op de terugkeer van Jezus. Zo is er een belangrijk verschil tussen wachten op dat wat zeker komt en wachten op iets onzekers. Vergelijk het wachten op de bus met het wachten tot iemand je een lift geeft. Wachten op iets onzekers is net zo vervelend als iets zoeken waarvan je niet weet of het er is: of het zin heeft, zal pas achteraf blijken.

Verwant hieraan is het onverklaarde wachten, zoals die keer dat ik in een stilstaande trein zat te midden van weilanden, terwijl conducteurs in grote paniek langsrenden. „We stonden even stil omdat er een gewonde vogel op het spoor lag”, zei de conducteur toen we na een kwartier weer in beweging kwamen. Intussen had ik met kletsnatte handen gevreesd voor een kaping en vergeefs steun gezocht bij de enige andere persoon in de coupé, een onheilspellend ogende man die het ene blik bier na het andere leegdronk.

Een positief bij-effect van wachten: het schept ruimte voor nieuwe gedachten

Mensen vinden onzekerheid niet fijn, blijkt uit de literatuur over wachtrijen. In het onder wachtdeskundigen beroemde artikel The Psychology of Waiting Lines (2005) schrijft organisatiedeskundige David Maister dat erkenning van de wachtende essentieel is. In restaurants helpt het om mensen die wachten op een tafel alvast een menu te geven: dan weten ze dat ze zijn gezien, en is de hele ‘restaurantbelevenis’ eigenlijk al begonnen.

Het wachten moet ook eerlijk verlopen aldus David Maister, anders worden mensen kwaad en zenuwachtig. Bij rijen moet duidelijk zijn wat de volgorde van de wachtenden is; nummertjes kunnen houvast geven. Een andere optie is wat Hema doet: die hanteert één rij, die als een meanderende rivier uitmondt in verschillende kassa’s. Zo hoeven wachtenden nooit te vrezen dat ze in de langzaamste rij staan, en daarbij bevinden zich aan de oevers van de rivier ook nog eens rekjes met leuke dingen zoals chocolaatjes en vrolijk gekleurde paraplu’s.

De rij van Hema brengt ons op het tweede belangrijke onderscheid, namelijk dat tussen kortdurend en langdurig wachten. In de rij staan, in de wachtkamer zitten: het zijn vormen van kortdurend wachten, hoe lang ze ook kunnen aanvoelen. Voor deze vormen van wachten zijn allemaal oplossingen bedacht. Wanneer restaurants menu’s uitdelen, is dat ook om te voorkomen dat mensen zich gaan vervelen. In pretparken worden wachtenden vermaakt (of lastiggevallen) door mensen in dierenpakken. De tijd gaat nu eenmaal veel sneller als er afleiding is, weet iedereen die wel eens zonder gesprekspartner/boek/telefoon heeft staan wachten tot het water kookte.

Mij helpt het trouwens om op dit soort momenten ten volle te ervaren hoe traag de tijd verstrijkt, en dan te denken: mijn leven zal niet in een oogwenk voorbij zijn, want er liggen nog zo veel van deze tijdwoestijnen tussen mij en mijn dood.

Ideale wachtkamer

Het belang van afleiding is inmiddels ook doorgedrongen tot zorgverleners. Ongeveer elke tandartspraktijk heeft tegenwoordig op de website staan dat ze ‘samen met de patiënten hebben gepraat over de ideale wachtkamer’. Het LangeLand Ziekenhuis in Zoetermeer zette een jaar geleden fitnessapparaten in de wachtkamer, zodat geen minuut meer ledig voorbij hoeft te gaan. Huisarts David de Boer in Amsterdam gebruikt zijn wachtkamer als expositieruimte waar afgestudeerde kunstacademiestudenten hun werk kunnen tonen.

Bij langdurig wachten ligt dit allemaal anders: dat is een permanente toestand die overlapt met het dagelijks leven. Langdurig wachten heb je in vreselijke (tergende, saaie, angstaanjagende) varianten, en in fijne varianten vol voorpret en anticipatie. De meest extreme vorm van het eerste is natuurlijk de dodencel, maar denk ook aan wachten tot een oorlog is afgelopen, wachten op de uitslag van een bloedtest, wachten op schadevergoeding door de NAM.

Die andere vorm, de leuke, is zo anders dat hij nauwelijks wachten genoemd kan worden; misschien is anticiperen of verheugen een beter woord. Hoe fijn is het om te wachten tot het eindelijk zomervakantie is, en in de tussentijd steeds de pagina te openen van het vakantiehuisje! En wat is het heerlijk om je voor te stellen hoe perfect je grote liefde zal zijn, hoe hij of zij eruitziet en ruikt en geweldige grappen maakt.

Als een lange wachttijd wordt gecombineerd met een vaag doel, wordt wachten eigenlijk een activiteit op zich. Met vrienden bedacht ik eens het tv-programma ‘Waarom koken als je ook kan roken’, waarin een vriendengroep in de keuken voorbereidingen treft voor het avondmaal. Telkens als iemand voorstelt de groenten te gaan snijden, zegt iemand anders: „Nog één peuk en dan beginnen we”. Dit gaat zo de hele avond door, en ondertussen worden natuurlijk de beste gesprekken gevoerd. De anticipatie op het koken is nodig om het geheel zin te geven, maar het is tegelijk van belang dat het koken tot in het oneindige wordt uitgesteld.

In deze vorm doet wachten denken aan Samuel Becketts toneelstuk Wachten op Godot, waarin Vladimir en Estragon bij een boom wachten op Godot. Die komt niet, en zo wordt het wachten een activiteit op zich: Godots mogelijke komst is een voorwaarde voor de samenkomst, maar zijn daadwerkelijke komst maakt voor de gesprekken en het gemoed niet uit.

Liefhebbers van categoriseren kunnen nu een matrix maken, met op de assen kort en lang wachten, en zeker en onzeker. Het probleem is alleen: je hebt ook nog het verschil tussen wachten op leuke en stomme dingen, en het verschil tussen machteloos en vrijwillig wachten. (‘Ik wacht tot de dokter me roept’ versus ‘Ik wacht nog even met lunchen’). Bovendien weet ik nu al dat de matrix niet verklaart waarom ik sommige vormen van wachten verdraag en andere niet. De ‘leuke’ vormen bevinden zich kriskras over de matrix, net als de vervelende.

Tijdverspilling bestaat niet

Voor de oplossing ga ik terug naar de wachtkamer. Wat vind ik daar zo fijn aan? Waarom kom ik voor afspraken met artsen routineus tien minuten te vroeg?

Het fijne aan de wachtkamer is dat je er moeilijk iets nuttigs kunt doen, want je weet nooit hoe lang het wachten gaat duren. Daarom kun je je zonder schuldgevoel overgeven aan de meest zinloze activiteiten. Foute keuzes of tijdverspilling bestaan niet in de wachtkamer, en zelfkritiek (idealiter) dus ook niet. Een wachtkamer wordt zo een safe space in een wereld van rendementsdenken.

De truc is dus: rust vinden in het wachten. Je eraan overgeven. Dat is wat alle leuke vormen van wachten voor mij verbindt: dat ik niet brand van ongeduld om eraan te ontsnappen.

Grootmoeders waren zo twee uur aan het koken, tegenwoordig staan we een krap half uur in de keuken. Elk jaar koken we een minuut korter.

Het bewijs wordt geleverd als ik met een vriendin in de supermarkt ben. We willen blikjes cola kopen, maar ze zijn niet koud. „Dan leggen we die toch hier in de vriezer”, zegt de vriendin. Uitgesloten, denk ik. Dan moeten we minstens vijf minuten wachten, en welke gek wacht nu vrijwillig in de supermarkt? Ze haalt me over: het is toch helemaal niet erg om hier te staan, anders staan we op straat, wat is het verschil? We blijven. We leunen tegen de glazen vriezerdeuren. We kijken naar vacuüm gezogen kant-en-klaarmaaltijden, naar mini-ijsjes, naar de mensen die langs ons rennen met volle manden. De supermarkt verandert van vorm, het lijkt een andere plek. Normaal zie ik hem niet vanuit stilstand: ik ren langs de schappen en gris de spullen eruit, maar nu realiseer ik me dat de supermarkt een plek op zich is, een plek waar je kunt stilstaan dus, en dat de dag niet in elkaar klapt als je er vijf nutteloze minuten doorbrengt.

Acceptatie van het wachten heeft nog een positief bij-effect: het schept ruimte voor nieuwe gedachten. Ik las vorig weekend in Volkskrant Magazine dat de Russisch-Amerikaanse ingenieur en uitvinder Jacob Rabinow zich, wanneer hij creatief wilde zijn, inbeeldde dat hij in een gevangenis zat. In de gevangenis speelt tijd geen rol, aldus Rabinow. Dat gaf hem de vrijheid om te experimenteren. Hetzelfde geldt voor een wachtkamer.

Twee stoplichten

Jammer genoeg wordt het steeds moeilijker om deze zen-staat te bereiken, want zelfs onder de grond en hoog in de lucht worden nu in allerijl internetverbindingen aangelegd. Als we ons maar niet hoeven vervelen! De metro is hier en daar nog een plek waar mensen voor zich uitstaren of een boek lezen, maar nog even en ook daar kan eindeloos gescrold worden.

En dat terwijl mensen denk ik best behoefte hebben aan wat meer geduld. Laat ik dit illustreren aan de hand van twee stoplichten.

In Maastricht zag ik een stoplicht dat naast de lichten met een balkje aangaf hoe lang de auto’s nog moesten wachten. Ik kende de fietsvariant al: die geeft de resterende wachttijd aan in seconden. Zoiets moest er kennelijk ook voor auto’s komen, want als mensen te lang stilstaan worden ze hartstikke ongedurig, zelfs als ze in een gemakkelijke stoel zitten.

In Amsterdam stond ik voor een fietsstoplicht waarop een sticker was geplakt met de tekst: ‘Moeite met wachten?’, en de website van een mindfulnesscentrum. Hier werd de oplossing niet gezocht in het verminderen van onzekerheid, maar in de houding van de wachtende zelf.

Dat sluit aan bij een trend: steeds meer mensen doen aan yoga, mindfulness of meditatie, in plaats van te verwachten dat iemand anders rust organiseert.

Dit klinkt als een makkelijke oplossing, maar is het natuurlijk niet. Het lijkt mij althans veel gevraagd om een ademhalingsoefening te doen op de roltrap of in de wacht bij Telfort. Maar mijn cola-experimentje toonde wel hoe haast kan plaatsmaken voor kalmte, als je maar besluit dat er tijd genoeg is om te verspillen.

    • Floor Rusman