Lopen door een voorjaarskunstwerk

Veel tulpen zie je natuurlijk, op een wandeling door de Bollenstreek. Maar je passeert ook landgoederen, en je kunt ongegeneerd in mooie voortuinen kijken.

Foto Istock

Opeens zijn ze er: de bloemen. Na maanden vol kale takken en zwarte aarde was het net als elk voorjaar lastig te geloven. Dat er weer frisgroene blaadjes aan de bomen zouden groeien, dat er hommels zouden zoemen tussen het struikgewas, dat de madeliefjes en paardenbloemen het gras zouden tooien. Maar ze zijn er.

De lente is een voyeuristisch seizoen. Nooit kun je zo ongegeneerd in andermans voortuin spieken als in het voorjaar. De forsythia, de Japanse sierkers, het Drents krentenboompje: allemaal lokken ze het langslopende publiek. ‘Kijk ons toch mooi zijn achter de heg, kijk ons toch schitteren boven de schutting uit!’

Wie in Nederland wandelt, komt met enige regelmaat door bebouwd gebied – zeker tijdens een tocht van station naar station. En zodoende ontwikkelt de wandelaar zich algauw als tuinenkenner. Als mensenkenner ook, wellicht. Geen culturele maar natuurlijke antropologie. Wat zegt het over de bewoners dat hier, op de grens tussen Heemstede en Aerdenhout, in bijna elke voortuin wel een magnoliaboom staat? Een boom met van die vuistgrote witte bloemen, soms met een vleugje roze. Een boom die rijker, uitbundiger, opvallender bloeit dan andere soorten. Een gefortuneerde boom met een chic tintje.

Hier vind je de route van de NRC-seizoenswandeling: wandelen door de Bollenstreek

‘Valse tulpenboom’ heet de magnolia ook wel. Weg schone schijn. Hoe mooi al dat witroze ook is, de boom moet het afleggen tegen de echte voorjaarskoningin: de tulp. De meest geteelde bol van ons land – vorig jaar nog produceerden Nederlandse bloembollenkwekers zo’n 2 miljard tulpen, waarvan het merendeel voor het buitenland bestemd was: Duitsland, de Verenigde Staten, China, Rusland.

Het areaal bloembollen is sinds 2000 met 16 procent gestegen tot meer dan 26 duizend hectare, berichtte het Centraal Bureau voor de Statistiek vorig jaar. Al dat land is in handen van iets meer dan 1.600 bloembollenbedrijven. Pakweg de helft van alle gekweekte bloemen zijn tulpen. Hier in de Bollenstreek – grofweg het kustgebied tussen Haarlem en Leiden – is het eerlijker verdeeld. Naast tulpen zijn ook hyacinten en narcissen populair. Extra kleuren op het palet.

Stinsenplanten

De spanning bouwt zich op – we hebben de bebouwde kom van Aerdenhout inmiddels verlaten en wandelen over de landgoederen van Leyduin en Woestduin. Prachtige buitenhuizen en een ‘belvedère’: op dit kunstmatige duin bouwden rijke bewoners een paar eeuwen geleden een torentje om te kunnen uitkijken over de Noordzee en het Haarlemmermeer. Inmiddels zijn vooral de boomtoppen te zien; geen golven of bollenvelden. Toch mooi.

Op de landgoederen groeien stinsenplanten: verwilderde voorjaarsbloemen als daslook en boshyacint, verre nakomelingen van de bolgewassen die landgoedeigenaren vanaf pakweg 1600 rond hun huizen plantten. Rond die tijd begon ook de bollenteelt in de Bollenstreek.

Zonder mensenhanden geen bollenteelt; de geestgrond vormt een schildersdoek waarop elk voorjaar een kunstwerk verschijnt

Tussen die stinsenplanten ligt een oude betonbaan verborgen, die de Duitsers in de Tweede Wereldoorlog aanlegden voor de lancering van V1-vliegtuigen. Maar het spannendste punt van Woestduin is de uitkijkheuvel aan de zuidkant. Aan onze voeten ontvouwt zich een bloemenzee – stroken geel, zachtroze, wit en paars. Daartussen ook kale zandgrond: voor sommige bloemen is de lente alweer voorbij. Ze slijten hun laatste dagen in vazen, of op een van de tientallen praalwagens die dit weekend door de Bollenstreek trekken, voor het 71ste bloemencorso : een door muziek begeleide optocht tussen Noordwijk en Haarlem van met bloemen versierde wagens. Honderden vrijwilligers hebben de afgelopen drie dagen die wagens versierd met tulpen, narcissen en hyacinten. De stoet trekt onder andere door Hillegom, ons einddoel van vandaag.

Biologische bollenteelt

Maar zover is het nog niet. Eerst wandelen we via landgoed Vogelenzang naar De Zilk. Van het zuiden van Noord-Holland naar het noorden van Zuid-Holland. Steeds meer bloemen, steeds meer mensen. Toeristen op sportschoenen die selfies maken tussen de hyacinten. De drukte hier valt nog mee, maar bij de Keukenhof ten zuiden van de route staan de bussen rijen dik.

‘De geestgronden’ worden de cultuurgronden van de bollenstreek ook wel genoemd. Een mengsel van duinzand met klei of veen dat heel geschikt is voor bloembollen. Wat schelpengruis erbij is ideaal: de bloemen gedijen goed in kalkrijke grond. Plaatsen als Oegstgeest en Uitgeest danken hun naam aan de geestgronden.

Foto Istock

Boven de velden vliegen kieviten, scholeksters, zelfs een ooievaar. Een buizerd hangt biddend boven een aangrenzend weiland. Je zou haast vergeten dat dit meer cultuur is dan natuur.

Zonder mensenhanden geen bollenteelt; de geestgrond vormt een schildersdoek waarop elk voorjaar een kunstwerk verschijnt. Her en der ruik je de insecticiden. Door de landbouwgifstoffen is de bollenstreek niet het milieuvriendelijkste stukje Nederland. Minder insecten, minder vogels – natuurorganisaties maken zich zorgen. Het areaal biologische bollenteelt is nog bijzonder klein: ongeveer 30 hectare, becijferde Wageningen Universiteit eind 2016. Wat dat betreft is er heel wat te winnen.

‘Het Duinknijnenrijk’ heet De Zilk in de carnavalsperiode, en de konijnenrijke duinen zijn hier vlakbij: hemelsbreed nog geen vijf kilometer naar het westen ligt de zee. Daartussen liggen de Amsterdamse Waterleidingduinen, die sinds 1853 tweederde van Amsterdam van drinkwater voorzien. Maar wij buigen naar het oosten, waar tussen de Hillegomse hyacinten net een haas wegspringt – groter en sneller dan de duinkonijnen. En dan komt het station in zicht; over het spoor rijdt een narcisgele intercity voorbij. Hier in de voortuinen geen magnolia’s, sterker nog: er zíjn niet eens overal voortuinen. Logisch ook eigenlijk. Want wie kan uitkijken over een bollenveld, behoeft geen hoge haag.

    • Gemma Venhuizen