KNVB-beker is uitgegroeid tot een prijs met prestige

Honderdste KNVB-beker Zondagavond spelen Feyenoord en AZ in Rotterdam om de honderdste KNVB-beker. Het duurde even, maar de finale is tegenwoordig een hoogtepunt in het voetbalseizoen.

Guram Kashia van Vitesse na de winst tegen AZ in 2017.

Als scheidsrechter Björn Kuipers zondagavond in de Kuip het laatste fluitsignaal blaast, is de winnaar van de gouden beker bekend. AZ of Feyenoord krijgt een uniek exemplaar van de normaal gesproken zilveren ‘dennenappel’, de publieke koosnaam voor de KNVB-beker. Er blinkt meer goud in Rotterdam, van de aanvoerdersbanden tot de speciaal door de Koninklijke Munt geslagen tossmunt – waarvan replica’s te koop zijn voor iets minder dan een tientje. Alles ter ere van de honderdste bekerfinale in de Nederlandse voetbalgeschiedenis.

De eindstrijd van het bekertoernooi is een jaarlijks, niet te missen evenement geworden. Sinds 1989 gespeeld op een vaste locatie, op een min of meer vaste datum. „Twee, drie, vier weken voor het einde van de competitie”, zegt Heinrich Welling. „Afhankelijk van hoe we eruit komen met Rotterdam.”

Welling is als competitieplanner betaald voetbal bij de KNVB verantwoordelijk voor het speelschema van het bekertoernooi. Ook verzorgt hij de loting, die na elke bekerronde op donderdagavonden live op televisie is te zien bij Veronica en Fox Sports.

Televisieloting

De televisieloting hoort bij de KNVB-beker. Al sinds een van Wellings voorgangers, Jan Huijbregts, in de jaren tachtig bij Studio Sport met kokertjes met clubnamen in de weer was. Diezelfde Huijbregts zei in 1989, voor de microfoon van de jonge verslaggever Tom Egbers over de bekerfinale: „Om de een of andere reden lukt het niet om er een traditie van te maken”. PSV had FC Groningen even daarvoor verslagen in de Kuip, voor nog geen tienduizend toeschouwers. Een dieptepunt in de bekergeschiedenis.

Of een van de dieptepunten. Met het bekertoernooi was sinds de eerste finale in 1899 tussen SV RAP uit Amsterdam en het Haagse HVV – pupillen van beide verenigingen zijn zondag ballenkinderen – altijd wel iets aan de hand. Achttien keer werd er helemaal niet om de beker gespeeld, twee keer werd het toernooi niet uitgespeeld. „Er waren jaren bij dat clubs uit de eerste klasse, toen de hoogste afdeling, niet mee mochten doen en dat de finale werd gespeeld tussen twee tweede elftallen”, vertelt Remco van Dam. Als redacteur bij de KNVB hield hij zich met het oog op de lustrumeditie de voorbije maanden bezig met de geschiedenis van de KNVB-beker, die in onder meer wedstrijdverslagen van de 99 gespeelde finales is beschreven op een gelanceerde website.

John van Loen (FC Utrecht) na de zege op Helmond Sport in 1985.

Europa Cup II

„Tot de invoering van Europees voetbal werd de beker in Nederland niet zo hoog geacht als in bijvoorbeeld Engeland”, zegt Van Dam. De historie geeft hem gelijk. In 1960 begon het eerste, officieuze seizoen van de Europa Cup II, het toernooi voor bekerwinaars. Datzelfde jaar is de laatste keer dat er in Nederland geen bekertoernooi, laat staan een finale wordt gespeeld. De winnaar van de KNVB-beker plaatst zich vanaf begin jaren zestig automatisch voor het Europa Cup II-toernooi. En in het geval dat de landskampioen ‘de dubbel’ wint, werd de verliezend finalist afgevaardigd. Zoals in 1983, toen N.E.C. – nota bene na te zijn gedegradeerd uit de eredivisie – Europa in mocht, de eerste ronde overleefde en vervolgens werd uitgeschakeld door FC Barcelona.

En in 1998 hadden de twee finalisten, Ajax en PSV, zich via de competitie geplaatst voor de Champions League. De verliezers van de halve finales, sc Heerenveen en FC Twente, speelden op neutraal terrein in Zwolle om een plaats in de laatste editie van de Europa Cup II, die in 1999 zou opgaan in de UEFA Cup.

N.E.C. verloor in 1983 overigens de bekerfinale van Ajax, in een confrontatie over twee wedstrijden. Het waren niet bepaald de gloriejaren van de KNVB-beker. Dat had onder meer te maken met het ontbreken van een goede finalelocatie. Van 1972 tot en met 1976 was de Kuip het vaste decor, tot in 1977 de finalisten FC Twente en PEC Zwolle dwarslagen. „Die twee clubs hadden geen trek om met de selecties en supporters vanuit het oosten naar Rotterdam te reizen. Ze besloten de finale in Nijmegen te spelen”, vertelt Van Dam. Weliswaar met toestemming van de KNVB, maar het was een beslissing met gevolgen. Van Dam: „Daarna is jarenlang gejojood met de finale. In 1985 bood FC Utrecht tegenstander Helmond Sport zelfs aan in Utrecht te komen voetballen en de recette te delen. ‘Komen we toch gewoon bij jullie spelen’.”

Willem van Hanegem (AZ) na de zege in 1978 op Ajax.

Foto’s ANP

Terug naar het tv-interview van Egbers met Huijbregts. Utrecht had in 1989 gastheer moeten zijn van de bekerfinale, maar een autoshow had volgens Huijbregts het veld „nogal onbespeelbaar gemaakt”. Het jaar erop zou een nieuwe poging volgen om de bekerfinale in Stadion Galgenwaard te laten spelen. „Utrecht moet dus het Wembley van Nederland worden”, sloot Egbers het vraaggesprek af, refererend aan de finale van de FA Cup, ’s werelds oudste en meest prestigieuze bekertoernooi. Maar de bekerfinale van 1990 – PSV versloeg Vitesse voor ruim 30.000 toeschouwers – was ook in de Kuip en daar is sindsdien geen verandering in gekomen.

Bussen uit Heerenveen

„Het is een sportfeest geworden”, zegt Van Dam. Met dank aan de supporters van sc Heerenveen, dat in 1993, als eerstedivisieclub, de finale speelde tegen Ajax. Van Dam: „Ze kwamen met heel veel bussen naar Rotterdam, gingen met een zware nederlaag [2-6, red.] naar huis maar voor de sfeer maakte het niets uit. Dat is een omslagpunt geweest.”

Naast de Kuip als zekere finalelocatie doet ook het vaste toernooiformat het bekertoernooi goed: 64 clubs, profs en amateurs, spelen vanaf de eerste ronde volgens het bekende knock-outsysteem. Geen poules meer dus, zoals in de periode 1994-2003. „Dat was bedacht door Riemer van der Velde, die als voorzitter van Heerenveen lid was van het zogenaamde technisch platform”, vertelt Welling. Het poulesysteem, waarin twee profclubs in een groep zaten met twee amateurverenigingen, leverde voorafgaand aan de competitie drie ‘oefenwedstrijden’ op. „Dat vond Riemer geweldig. Hij gebruikte het bekertoernooi en de KNVB vond dat toentertijd prima.” Zoals de voetbalbond het jaren nadien ook goed vond dat clubs die ‘Europees’ speelden, later instroomden. Welling: „Dan kon je in vier wedstrijden een Europees ticket verdienen.”

Joop Jochems won in 1968 met ADO in Den Haag van Ajax.

Die tijden zijn voorbij. AZ en Feyenoord beginnen zondag om 18.00 uur in de Kuip aan hun zesde bekerduel van deze jaargang van de KNVB beker. Of „de Amstel Cup”, zoals Robin van Persie, na veertien jaar buitenland, in februari zei voor de camera van Fox Sports. Die naam droeg de beker van 1995 tot en met 2004 – Toto is de huidige sponsor – en aan de bierbrouwer zijn de badjassen te danken die de spelers bij de prijsuitreiking dragen. Een marketingidee, want het katoenen tuniek is al decennia onderdeel van het voetbal; sporthistoricus Jurryt van de Vooren vond uit dat de eerste badjassen zelfs dateren van 1912. „Er zijn foto’s waarop beide ploegen een witte badjas dragen”, zegt van Dam. „Die witte wil je niet meer, hoor. Bij de winnaars van de bekerfinale hoort tegenwoordig een rode.”

Wie weet is het zondag voor de gelegenheid een gouden.