Opinie

    • Michel Krielaars

Iedereen leest toch zijn eigen verhaal

Hoe lees je een roman of een verhaal? Het is een vraag die mij door lezers regelmatig wordt gesteld, maar waarop ik nooit een goed antwoord weet. ‘Gewoon lezen en je hart laten spreken’, zou ik iedereen het liefst willen aanraden, om op de valreep te beseffen dat je hart ook kan breken als je de bestsellers van Astrid Holleeder of Gordon uit hebt. En waarom vind ik Philip Roth eigenlijk een betere schrijver dan John Updike? Waarom houd ik meer van Giorgio Bassani dan van Umberto Eco? En waarom meer van W.F. Hermans dan van Harry Mulisch?

Op zoek naar de waarheid sloeg ik het kersverse Hoe lees ik korte verhalen? van Lidewijde Paris open, in de hoop via literatuurwetenschappelijke richtlijnen tot diepere inzichten te komen. Helaas werd ik na een paar bladzijden al in mijn oer-opvatting bevestigd, want volgens Paris slaat de ‘ik’ in de titel van haar boek op haar alleen en kun je het met haar eens zijn of helemaal niet. Moest ik haar boek nu nog uitlezen of niet?

Natuurlijk zijn er wetten waarmee je goede literatuur van slechte kunt onderscheiden. Een van die wetten is het adagium ‘laat zien, vertel niet’. Maar het in Hoe lees ik korte verhalen? opgenomen verhaal ‘Simons papa’ van Guy de Maupassant laat juist zien dat in een goed verhaal ‘vertellen’ juist een belangrijke rol kan spelen. En uit de wijze waarop Paris even verderop in haar boek het verhaal ‘De dromer’ van Saki behandelt, wordt duidelijk dat het om timing en dosering draait en dat lezen vooral ‘een spel van kijken, voelen, denken en ervaren’ is. Maar ook op dit vlak zal elke lezer dat spel op zijn eigen manier beleven. Je kunt het vergelijken met een voetbalwedstrijd, waarvan de een intens geniet, terwijl de ander erbij in slaap valt, omdat voetbal hem of haar nu eenmaal niet interesseert. Paris geeft dat in haar vermakelijke en leerzame boek ruiterlijk toe: ‘Dat is het mooie aan literatuur: er kan niet altijd de vinger op een antwoord worden gelegd.’

Wanneer ze het over een ‘moeilijke’ schrijfster als Virginia Woolf heeft, wier romans en verhalen briljant en perfect in elkaar steken, vinden Paris en ik elkaar. Eerst prijst ze Woolfs ‘De dame in de spiegel’, een verhaal over een vrouw die in de gang van haar huis in de spiegel haar vriendin over het tuinpad ziet aan komen lopen en aan heel andere dingen denkt. Je moet je gewoon overgeven aan het experimentele proza van Woolf, beweert ze dan, om de eenvoudige reden dat het zo ontzettend goed is. In het verlengde van dat advies verkondigt Paris ineens de absolute waarheid over literatuur: ‘Want gek genoeg gaat het bij literatuur niet alleen maar om begrijpen en doorgronden. Het gaat primair om schoonheid en geluk. Maar omdat die aspecten voor iedereen zo persoonlijk zijn, is daar veel moeilijker een boek over te schrijven.’

Opnieuw werd ik door Paris bevestigd in mijn oer-gevoel. En juist daardoor kreeg ik ineens bewondering voor haar aanpak, die aantoont dat je verhalen op vele manieren kunt lezen, ook al gaan ze vaak over dezelfde thema’s: gemiste kansen of het verlangen naar een beter leven. Natuurlijk beland je dan meteen bij Anton Tsjechov. Over hem merkt Paris op dat zijn verhalen tijdloos zijn, omdat ze nu eenmaal over de mens in al zijn onvolkomenheden gaan. En met zoiets kan ik het meer dan eens zijn.

    • Michel Krielaars