Recensie

Hoop voor Cuba, of een totaal gebrek daaraan

Senel Paz en Guillermo Rosales

Twee romans van Cubaanse schrijvers laten zien dat Cuba een land is waar alle hoop op een menswaardig bestaan vervlogen is. Waar de een het lot van de homo’s behandelt, richt de ander zich op het lamlendige bestaan in het algemeen.

Eigenlijk komt de vertaling van het lange verhaal El lobo, el bosque y el hombre nuevo (De wolf, het bos en de nieuwe mens) van de Cubaanse schrijver en scenarist Senel Paz (1950) een kwart eeuw te laat. In 1993 werd het verfilmd als Fresas y chocolate, wat ook de titel van de vertaling geworden is. Het verhaal van de homoseksuele Diego, die na een mislukte versierpoging een diepe vriendschap opbouwt met de regime-getrouwe David, had internationaal succes en zette het treurige lot van alle Diego’s in het homofobe Cuba op de kaart.

Wie het oorspronkelijke verhaal leest, ziet het drama teruggebracht tot zijn essentie. Weg is de liefdesgeschiedenis van David met een buurvrouw en het exotisme van Havanna, die Paz als scenarioschrijver aan de film had toegevoegd. Het verhaal focust op de relatie tussen de twee mannen: misschien nog wel het meest op David en diens aanvankelijke afkeer van homoseksualiteit. Die brengt hem tweemaal in de verleiding Diego aan te geven bij het revolutionaire studentencomité dat waakt over de zuiverheid van de Revolutie.

De ijssmaken aardbei en chocolade zijn tekens van die tegenstelling. Bij zijn aanvankelijke versierpoging in de beroemde ijssalon Coppelia in Havana vraagt Diego om aardbeiensmaak, zo merkt David wantrouwend op, ‘ook al was er chocolade-ijs’. De symboliek ligt er wat dik op, maar effectief is ze wel in de slotzin van het boek. Diego vertrekt naar het buitenland en David troost zich opnieuw met een ijsje in de Coppelia: ‘Er was chocola, maar ik vroeg om aardbei.’

Het verhaal van Paz was een aanklacht, maar belichaamde ook hoop. Homoseksualiteit zat in Cuba nog wel in de verdrukking, maar kon ter sprake gebracht en getoond worden.

Die hoop ontbreekt geheel in de novelle Het huis van de drenkelingen van Guillermo Rosales (1946-1993). Niet om politieke redenen. Cuba is op de achtergrond weliswaar steeds aanwezig bij de Cubaanse ballingen in Miami over wie het gaat, maar hun teloorgang als maatschappelijke wrakken is veel universeler. Bij Rosales is het bestaan een hel zonder hoop op bevrijding of verlossing.

‘Buiten op het huis stond Boarding home, maar ik wist dat het mijn graf zou worden.’ Met zo’n beginzin zit je meteen in een fenomenale vertelling. Rosales beschrijft, in de figuur van zijn alter ego William Figueras, zijn eigen levenslot. Vertrokken uit Cuba, schrijversambities gefnuikt door aanvallen van schizofrenie, spoelt hij, eenmaal in de VS, aan in het ‘typisch armoedige onderkomen voor hopeloze gevallen, gekken meestal, maar soms ook ouderen, die daar door hun familie waren achtergelaten om in eenzaamheid te sterven.’

Rosales’ beschrijving van de stank, vuiligheid en agressie in het boarding home, bestierd door een stelende Cubaanse directeur en een tirannieke Cubaanse huisbewaarder, is hartverscheurend. Hier is alle menselijkheid geweken, en ook Figueras valt al snel ten offer aan sadisme en geweld. Zijn mislukte vluchtpoging met een vrouw op wie hij misschien verliefd is of wordt, onderstreept de uitzichtloosheid alleen maar verder. Dat Rosales, na het grootste deel van zijn onuitgegeven werk te hebben vernietigd, zelfmoord pleegde, zal na het lezen van deze verpletterende novelle niemand verbazen.