Recensie

Heerlijk foeteren, corrigeren, bewonderen en steunen

Meerdere malen benadrukt Lodewijk Wiener in zijn brieven dat hij nu eenmaal schrijver is en dat hij dientengevolge niets anders doen kan dan gehoor geven aan die opdracht. Maar dat wil nog niet zeggen dat hij er veel plezier aan beleeft. ‘Schrijven is wel zo beetje de akeligste bezigheid die ik mij kan voorstellen’, zo schrijft hij in mei 2013 aan A.L. Snijders, ‘met voortdurend de duivel van de faalangst op je schouder, die als een onzichtbare rat in je nek zit te pissen, terwijl jij iets ‘‘moois” op papier probeert te krijgen.’ Gelukkig is de beloning groot, lezen we vervolgens. ‘Ja, als het dan eindelijk gelukt is, dan doorstroomt een gevoel van triomf je aderen, tot in je balzak aan toe, dan ben je weer een kraaiende haan en geen struikelende kapoen, maar voor het zover is moet je door de slough of despond, waar het riekt naar gier en zwavel.’

Wiener doorstond talloze gier- en zwaveldampen, want behalve tientallen romans en verhalen (die hij als de kern van zijn oeuvre beschouwt) schreef hij de afgelopen halve eeuw ook vele brieven, waarvan een selectie daaruit nu het mooi uitgegeven Fallen Leaves vormt. Die turf is een dieseltje; aanvankelijk leest het allemaal nog wat stroef en zakelijk, maar gaandeweg krijgen we de volledige Wiener (1945) via de epistels te zien en ontvouwt zich een veelzijdig, trots karakter. Dat Wiener heerlijk kan foeteren wisten we al, maar hij blijkt ook te kunnen bewonderen (in brieven aan Jeroen Brouwers, Dimitri Verhulst en A.L. Snijders), bemoedigen (Merijn de Boer), vaderlijk corrigeren (Anton Dautzenberg) of – en dat is wel zijn meest bewonderenswaardige eigenschap – steunen, zoals in het geval van enkele door ziekte getroffen leerlingen waarvan Wiener de docent was aan het Stedelijk Gymnasium in Haarlem.

Het meest beviel mij de ietwat rechtlijnige, grimmige Wiener waar je je klauwen aan open kunt halen. De Wiener die het in een café aan de stok kreeg met de hem provocerende schrijfcollega Louis Ferron. Het horecapersoneel probeerde de boel nog te sussen, maar Ferron ‘lag toen al tussen de kartonnen dozen van de firma Hooghoudt in een hoek’ na een beuk op de kin. De Wiener die de zestig is gepasseerd en die vrolijk vertelt over zijn piepjonge vriendin (‘Zij is twintig, dus onze omgang is zeker scandaleus, maar daarom juist zo enerverend. De buren weten niet waar ze kijken moeten, maar ik wel.’) Of de Wiener die een boze brief aan vriend/vijand R.A. Basart afsluit met de woorden ‘Sans rancune, val dood.’ Het is fel, het is op het agressieve af, maar opvallend is dat je daarbij nooit denkt: wat een verzuurde man is dat.