Column

Een VVD-routinier vertelt over de binnenkant van bestuurlijk Nederland

Deze week: bekentenissen uit bestuurskamers door een VVD-routinier. Ofwel: te lage ministerssalarissen, laffe bestuurders, de nieuwe VVD, fondsenwerven voor Rutte (en Femkes grote kansen op Amsterdam).

Een gewichtig man is Frank de Grave (62) nooit geworden. De VVD-routinier, nu senator en fondsenwerver van de partij, verkeert al sinds zijn 27ste, toen hij Tweede Kamerlid werd, in de hallen van de macht.

Maar het boek dat hij laatst uitbracht met Volkskrant-journalist Jan Tromp, Grote jongen zijn, is zeker geen voorname verhandeling met het eigen ego als loodzwaar uitgangspunt.

Het staat vol prettige weetjes en wetjes over Hollands besturen, in speelse schetsen.

Een lichtvoetig boek met een man die, in de schaduw van leiders als Bolkestein en Rutte, vanuit elke denkbare invalshoek politiek bedreef: volksvertegenwoordiger, wethouder financiën en Amsterdams locoburgemeester, minister van Defensie, toezichthouder in de zorg, lobbyist voor medisch specialisten.

Ik sprak hem dinsdag, en zei dat het me verraste hoe weinig aandacht het boek krijgt.

„Och”, lachte De Grave, „ik ben nu eenmaal geen Ybeltje.”

Het aardige is ook: hij is zijn eigen vergissingen niet vergeten. Een van zijn grootste fouten was met Wiegel, door wie hij als tiener VVD’er werd.

Maar in de beroepspolitiek zag hij dat dezelfde Wiegel zijn opvolgers telkens met ‘getoeter’ in de media ondermijnde.

En toen in 1994 het gerucht aanzwelde dat Wiegel Bolkestein wilde uitdagen als partijleider, ontving De Grave een handgeschreven brief van ‘het orakel’.

Konden ze nader kennismaken?

Hij was waarnemend burgemeester in Amsterdam, en bedacht met Bolkestein een plannetje: hij zou Wiegel naar de ambtswoning halen en hem een overhalen elke strijd over de VVD-leiding uit de weg te gaan.

Overmoed. „Zo doe je dat niet, hè, met iemand van die statuur?”

Wiegel reageerde amper aan de dis. „Ik voelde meteen dat ik fout zat.”

Wiegels wraak kwam even later, toen hij De Telegraaf vertelde wat De Grave, het ventje, had uitgehaald.

Het gevolg: „Ophef – over mij. Ik had de ambtswoning voor partijpolitiek gebruikt. Mocht niet.”

Er is veel voor Femke te zeggen. Ze heeft de juiste politieke kleur en is vrouw

Als Amsterdamse VVD’er kent hij de dynamiek van een burgemeestersbenoeming, die nu weer speelt. De VVD heeft alleen invloed op de uitkomst als links verdeeld raakt: „Dan kan het een dark horse worden.”

Anders ligt Femke Halsema voor de hand?

„Er is veel voor Femke te zeggen”, zei hij. „Ze heeft de juiste politieke kleur en is vrouw.”

Er is één maar. „Ik hoop dat ze nadenkt of ze dit bestuurlijk aankan.”

De afrekencultuur, geliefd bij de kiezer, gevreesd door politici, maakt besturen er niet eenvoudiger op. De dramademocratie die ze creëert leidt tot een gevaarlijke nieuwe lafheid, constateert De Grave.

Zelf noemde hij als bestuurder de miljardeninvestering in de Amsterdamse IJ-oevers verantwoord. Maar niemand, zei hij, kan de kosten van projecten langer dan tien jaar inschatten.

Het liep gelukkig goed af. Maar anders had je onderzoek met de bekende ‘vernietigende conclusies’ gekregen, vertelde hij, „en was ik aan de schandpaal genageld”.

Door dit verschijnsel mijden bestuurders nu risico’s. „Mijn vraag voor de samenleving is: willen we dat werkelijk?”

Dezelfde afrekencultuur, zei hij, maakt mensen schichtig voor politieke functies.

Wie Kamerlid wordt, kan in een jaar op straat staan, en vindt niet snel iets nieuws – bedrijven en instellingen willen geen politici.

„Maar als je wachtgeld ontvangt deug je óók niet.”

Een oplossing, zei hij, is „dat salarissen van ministers en Kamerleden omhoog gaan”.

Hij weet hij dat het niet zal gebeuren. „Maar we moeten dit bespreken: te veel mensen zeggen nee omdat ze een keuze voor de politiek zien als desinvestering in hun carrière”, aldus De Grave.

In de politiek staat de valkuil van de goede bedoelingen altijd open. In de jaren tachtig liet de jonge leider Ed Nijpels de VVD-fractie over alle standpunten stemmen. De Grave was het ermee eens: dit was democratie.

„Maar het effect was verwoestend. Steeds dezelfde groep verloor: we creëerden rancune.”

Hoe langer je het vak uitoefent, zei hij, hoe beter je begrijpt: laat je tegenstanders in hun waarde. „Anders krijg je het later terug.”

Na de val van zijn eerste kabinet in 2012 wilde Rutte razendsnel verkiezingen. Een scenario dat het CDA amper ruimte zou hebben gegeven om na het PVV-debacle weer op adem te komen.

„Ik begrijp dat Mark er niet lang over had nagedacht, maar we hebben gezien hoe moeilijk Buma daarna was voor Rutte II.”

Nu woedt in de VVD debat over haar verwaterde profiel na acht jaar besturen met Rutte.

De Grave kent de onrust maar waarschuwt voor overmoed: „33 zetels is een krankzinnig eind weg van 76 zetels.”

Hij verwacht dat Klaas Dijkhoff, die aan een nieuw profiel werkt, zich realiseert dat de VVD er primair voor lagere lasten is.

Ondernemers en middengroepen stemmen VVD, dat moet zo blijven. „Zoals Bolkestein zei: wij zijn de fiscal conservatives.”

Hij weet dat Rutte de laatste tijd zinspeelt op een vierde kabinet. „Mijn inschatting is dat Mark beschikbaar is voor de volgende periode”, zei hij.

Regeren is voor partijen een survival game geworden

„En ik moet nog zien of iemand hem dan uitdaagt.”

Na Ruttes verkiezing tot partijleider, in 2006, bood De Grave hem aan fondsenwerving voor de VVD te gaan doen. De partijkas was leeg.

Hij zette het op met Cor van Zadelhoff: mensen die een minimumbedrag inleggen gaan eens per jaar eten met de partijtop.

„Gisteravond hadden we nog zo’n etentje”, vertelde De Grave. Rutte en Dijkhoff waren er, op het menu stond boerenkool. „We doen het met een knipoog.”

Maar het resultaat is aanzienlijk. Vorig jaar, zei hij, „droegen we 1,3 miljoen euro bij aan de campagne.”

Dus toen de senaatsfractie enkele jaren terug een nieuwe voorzitter zocht hoorde je in de VVD: door zijn fondsenwerving kan De Grave dat zo worden.

Hij wilde niet. „Als lid van de partijtop heb je geen vrijheid meer.” En Annemarie Jorritsma, die werd gekozen, is ook veel beter. „Zij is mentaal harder dan ik.”

Toch blijft hij, ook in de senaat, strategisch opereren. Bij de recente behandeling van Pia Dijkstra’s Donorwet zat hij de indienster bepaald niet dwars.

„Ik heb geïntervenieerd met als doel de wet niet te laten sneuvelen”, lachte hij.

Na zeven jaar Eerste Kamer – mogelijk vertrekt hij volgend jaar – groeit zijn scepsis over de politisering van de senaat.

Het zou volgens hem beter zijn als de Eerste Kamer formele macht afstaat door het Franse model te omarmen: als de Eerste Kamer het oneens is met een wetsvoorstel, gaat het terug naar de Tweede Kamer, die het laatste woord heeft na verplicht overleg met de senaat.

„De Eerste Kamer heeft dan alleen nog invloed op basis van gezag - zoals het hoort.”

Hij is vooral beducht dat besturen in dit land nóg gecompliceerder wordt. Zeker nu de kans bestaat dat Rutte III volgend jaar zijn meerderheid in de senaat alweer verliest

Het CDA zit nog redelijk ontspannen in deze coalitie, maar D66 „zet zwaar in op herkenbaarheid”, de CU „kan bikkelhard zijn”, de VVD werkt aan een verscherpt profiel.

„Alle partijen zijn bezig met lijfsbehoud.” Besturen draait voortaan niet meer primair om de juiste beslissingen.

„Regeren is voor partijen een survival game geworden.”