Recensie

Een Diogenes van onze tijd

Mark Boog

Zonder geld of doel gaat Boogs personage de straat op. Hij blijkt een scherp cynicus, die prikt in de heilige huisjes van onze wereld.

Tekening Paul van der Steen

Mark Boog brengt zijn personages graag tot stilstand; hij pakt ze de routines af die hun leven tot het hunne maakten. In zijn debuut De vuistslag (2001) filosofeerde een aan het ziekenhuisbed gekluisterde man er op los, in Het lot valt altijd op Jona (2011) werd een kind erg ziek en waakten de ouders terneergeslagen aan het bed. Dat is tweemaal noodlot, zou je kunnen zeggen, maar in zijn nieuwe roman laat Boog zijn belangrijkste personage nou eens geheel uit vrije wil de gewone loop der dingen doorbreken.

Jim wandelt door zijn huis naar de voordeur, opent die, stapt over de dikke stapel enveloppen en ander drukwerk heen die zich voor de deurpost heeft opgehoopt, trekt de deur achter zich dicht, werpt de sleutel door de gleuf naar binnen en loopt de stad Utrecht in. Zonder geld, zonder doel, zonder enig ander vooruitzicht dan zich die avond weer te melden aan de bar van zijn stamkroeg, een groezelig nachtcafé met de curieuze naam De Waarheid.

We zijn hiermee luttele tientallen pagina’s op weg en de roman lijkt dan niets anders te kunnen worden dan een realistisch getoonzette drinkersroman waarin iemand volledig het putje in gaat. De drinkersroman die de laatste jaren – het zal de crisis zijn – sowieso aan een kleine opmars bezig is, denk maar aan Erik Jan Harmens’ Hallo muur of de vertalingen van oudere, buitenlandse innemersboeken als Het verloren weekend van Charles Jackson of Vernieling van Tom Kristensen (dat thans in de ramsj ligt, een toepasselijk lot voor een drinkersroman). Erg veel vertrouwen wekt die aanvang van Boog om eerlijk te zijn niet. Waar zal hij in godsnaam de essentiële narratieve energie gaan aanbrengen die nodig is om ons voor de leesduur van vijf, zes, zeven uur in de greep te houden?

Lezer en lamstraal

De roman is, zo blijkt maar weer eens, een medium dat je wat tijd moet gunnen. De verdichting tussen lezer en lamstraal Jim mag dan wat gebrekkig tot stand komen, trefwoordsgewijs wrikt de roman zich uit het corpus van het hoogst individuele van Jim en wordt het, ja, politieker. Want niks beters te doen hebben dan je bedrinken in zo’n gaaf land als Nederland, wat brengt iemand daartoe?

Inmiddels beroemde promopraat van onze huidige minister-president, uitgesproken ter eer en meerdere glorie van Nederland, komen in aangepaste vorm terug in Boogs tekst, als tussenkopjes in een krantenbericht. Maar Utrecht, dat we voor de gelegenheid maar even moeten zien als een schaalmodel van Nederland, is heel zo gaaf niet, meent Jim.

Gebiologeerd maar afkerig bekijkt hij de door zijn stad krioelende mensenmassa, op weg naar afspraken of bezig er een te maken via oordopjes of de schermpjes in hun handen. Iedereen behalve Jim. Oordoploos en schermvrij zoekt hij zijn overnachtingsplek in de stad, die hij uiteindelijk vindt op een plein met een fontein, vlakbij een kathedraal. Hij deelt er een stuk karton met Marie en haar hondje Jean-Pierre, een klein mormel dat hem geleidelijk aan begint te dulden in de nabijheid van zijn bazin.

Boog ‘doet niet’ aan dialogen. In de kroeg praten de mensen meer voor zich uit dan met elkaar en hoewel Jim hele monologen afsteekt tegen Marie (en hij ook op ander terrein aldoor intiemer met haar wordt), praat ze nooit terug. Het is een van de grepen, dit spreken zonder beantwoord te worden, waarmee Boog de wezenloosheid van zijn alternatieve wereld benadrukt. Want zijn Utrecht mag dan realistisch ogen, het is wel degelijk vertekend; met controles wordt geprobeerd de vluchtelingen buiten de landsgrenzen te houden, op straat controleren soldaten de identiteitsbewijzen van burgers en op muren van ‘overheids- en andere gebouwen’ de ‘metershoge portretten van het staatshoofd’. Geen fijne wereld natuurlijk, maar het gaat te ver om Café De Waarheid een dystopische roman te noemen. Boog lijkt Grote Broer even een béétje dichterbij te hebben willen halen – misschien wel juist om te tonen hoe dichtbij we het afschrikwekkende al genaderd zijn.

Hedendaagse cynicus

Het kan ook zo zijn dat het decor niet te veel in het oog heeft mogen springen, dat het daar niet om zou moeten draaien. Want als iets de boventoon voert is het de beschouwelijke inslag van Jim. Je zou hem kunnen zien als een hedendaagse cynicus, een Diogenes van onze tijd, vocale naalden prikkend in de heilige huisjes van de rigide, gestroomlijnde maatschappij. En het fijne is: elke naald is citabel. De massa is een machine, vindt Jim. ‘De machine boezemt me weer de weerzin in die ik meestal voel. Geen gezichten, maar vormloze koppen. Geen afzonderlijke ledematen, maar het gewriemel van een slangennest, een rattenkoning, de wirwar van de bedrading in een onbegrijpelijk en monsterlijk groot elektronisch apparaat, een brein misschien, kunstmatig intelligent. Kunstmatig intelligent maar tegelijk zorgvuldig dom gehouden. Ooit denkt het ons per ongeluk weg.’

Een zin als ‘ooit denkt het ons per ongeluk weg’ is exemplarisch voor Café De Waarheid en hoe sterk en citabel hij ook mag zijn, hij komt misschien wel beter tot zijn recht op een T-shirt, vlag of in een modern gedicht dan in een roman. Want dat is toch wel de mindere kant van dit werkstuk: de monotonie, het gebrek aan ontwikkeling. Of liever: Boogs weigering om een in aanleg krachtig en relevant startpunt uit te bouwen tot iets dat de wrange constatering overstijgt.

Jazeker, ook de lezer moet zijn verbeelding aan het werk zetten, en dat doet hij met liefde, maar het is uiteindelijk toch echt de schrijver die het boek de vleugels moet geven om ruimtes los te laten waarmee we nog niet bekend waren.

    • Sebastiaan Kort