Recensie

De redding van 40.000 ‘ontaarde’ steno-vellen

Filosofie

Een pater redde kort voor WO II de manuscripten van de Joodse filosoof Edmund Husserl. Nu is er een bloedstollend verhaal over die geschiedenis.

Edmund Husserl (l) en Leo van Breda (r) Foto’s uit besproken boek

Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog reist een Franciscaner pater met drie grote koffers dwars door nazi-Duitsland. Het is een gevaarlijke reis. De valiezen zitten vol documenten met een vrijwel onleesbaar handschrift en ze zijn bestemd voor de Belgische ambassade in Berlijn. Vandaar zullen ze via diplomatieke post worden overgebracht naar het nog onbezette Brussel.

Pater Leo van Breda vervoerde geen militaire geheimen. Zijn bagage bevatte de nalatenschap van de wiskundige en filosoof Edmund Husserl (1859-1938), die kort daarvoor overleden was. Diens baanbrekende ‘fenomenologische’ methode vormde het methodische raamwerk van het existentialisme dat na de oorlog de wereld zou veroveren. Nu, in 1938, moet het grotendeels ongepubliceerde oeuvre worden gered uit de handen van de nazi’s. Want Husserl was Jood; zijn ‘ontaarde’ denken had geen bestaansrecht in de ogen van de nazi’s.

Als in een filosofische thriller vertelt Toon Horsten, achterneef van ‘de pater’, hoe Leo van Breda (1911-1974) als student in de ban kwam van Husserls filosofie en zich bij een bezoek aan diens weduwe realiseerde dat diens nalatenschap gevaar liep. Een diep of origineel denker was de jonge geestelijke niet, eerder een filosofische netwerker die zich het vuur uit de sandalen liep om voor ieder opduikend probleem een snelle oplossing te vinden. En problemen waren er genoeg. Hoe krijg je 40.000 in een slecht leesbaar steno-schrift geschreven bladzijden in tijden van dreigende oorlog de grens over? Van Breda probeert het met de hulp van een vrouwelijke kloosterorde. Onder hun habijt moeten de zusters Husserls manuscripten stukje bij beetje de Zwitserse grens over brengen. Maar het spoor loopt dood en de methode is te traag en omslachtig.

Vandaar de diplomatieke uitweg. Van Breda polst het dichtstbijzijnde Belgische consulaat, maar wordt naar de ambassade in Berlijn verwezen. De gezant is niet aanwezig; hij kan zich beter richten tot de minister van Buitenlandse zaken, zo geeft men hem te verstaan. Die geeft in Brussel vlot toestemming. Maar hoe komt de weduwe van Husserl in België, wachtend op een visum voor de VS? En Husserls bibliotheek?

De pater en de filosoof laat zien welke bloedstollende verhalen de filosofie-geschiedenis verbergt voor wie verder kijkt dan haar vaak nogal abstracte verhandelingen. Want wanneer alles eenmaal veilig is aangekomen in Leuven, de thuishaven van Van Breda, breekt al snel de oorlog uit. Huisraad en – belangrijker – een groot deel van Husserls correspondentie die in de haven van Antwerpen op inklaring wachten, gaan bij een bombardement in vlammen op. De weduwe Husserl zal de oorlog overleven in een nonnenklooster, de manuscripten op geheime plekken wanneer de Leuvense bibliotheek niet langer veilig is: in kloosters, bij particulieren, in een bankkluis van de familie Van Breda.

In zijn ademloze vertelstijl krijgt Horstens verslag van de avonturen van Van Breda soms iets jongensboek-achtigs. Net op tijd laat hij ook iets van diens minder aangename kanten doorschemeren. Van Breda kon arrogant zijn en beschouwde Husserls nalatenschap op den duur een beetje als zijn persoonlijke zaak. Vooral nadat het Husserl-archief in Leuven dankzij zijn inspanningen was uitgegroeid tot een internationaal onderzoekscentrum, liet hij zich de eerbewijzen die hij wereldwijd in ontvangst mocht nemen, graag aanleunen. In de jaren zestig begon hij als gevolg van zijn suikerziekte te lijden aan stemmingswisselingen en kon cholerisch en zelfs agressief uit de hoek komen. In zijn eigen onderzoeksinstituut werd hij een beetje een zonderling.

Toch was de dood van Leo van Breda in 1974 wereldnieuws. Zonder zelf veel beklijvends op papier te hebben gezet was hij een filosofische held geworden die bijna iedereen kende die er wijsgerig een beetje toe deed. In zijn boek Eigennamen geeft Emmanuel Levinas (1906-1995), wiens hoofdwerk Totaliteit en oneindigheid op het nippertje door Van Breda werd uitgegeven, hem een plaats onder de groten. ‘Zijn goedheid en zijn universitaire fijnzinnigheid manifesteerden zich altijd in zijn lach’, schrijft Levinas: ‘in de vrolijkheid van de tevreden boer die weet dat hij de duivel een stevige loer heeft gedraaid.’

    • Ger Groot