De ‘oude beestjes’ moeten wijken

Museumtramlijn Veel waardering, hoor, voor de vrijwilligers die de historische tram laten rijden. Maar nu wil de gemeente hun loodsen slopen.

Sinds 1975 rijden de historische trams over het restant van de voormalige Haarlemmermeerspoorlijn langs het Amsterdamse Bos naar Bovenkerk, Amstelveen. Foto’s Marike de Meij

De andere jongens uit zijn straat kochten een tweedehands fiets of een tweetaktbrommer. Maar niet Hans de Meij, die kocht een tram. Schaal 1 op 1. Hij was twintig jaar oud en werd voor „volkomen achterlijk” aangezien. „Ik mocht nog niet eens bij mijn spaarbankboekje. Gelukkig heb ik mijn moeder kunnen overtuigen, want het antwoord van mijn vader kon ik wel raden.” Hij lacht.

Nu, vijftig jaar later, zijn er zo’n 75 historische trams verzameld, waarvan de meeste onderdak vinden in vier loodsen achter het Haarlemmermeerstation in Amsterdam-Zuid. Een groep toegewijde vrijwilligers, onder wie De Meij, vormt de drijvende kracht achter de stichting Electrische Museumtramlijn Amsterdam (EMA). Dankzij hen zijn de vele typen trams die Amsterdam ooit kleur gaven – denk aan de sierlijke, blauwe tweeassers uit begin 1900 en de gele trams uit midden jaren zeventig – bewaard gebleven voor de stad. Sterker; met de oude beestjes maken ze nog steeds ritten over de museumspoorlijn, een lijntje van 7 kilometer tussen het Haarlemmermeerstation en Bovenkerk – een overblijfsel van de inmiddels verdwenen Haarlemmermeerspoorlijnen.

Wij, een stel vrijwilligers, worden als multinational aangesproken

Door woningbouw dreigt nu het einde voor de museumtramlijn. De gemeente wil het Havenstraatterrein, waar de historische trams staan, transformeren van rafelrand tot een nieuw stukje stad met 500 woningen, een school en horeca. Aanvankelijk zou de tramspoorlijn een plekje krijgen in de plannen. Maar omdat de historische tramstichtingen de huur van zo’n nieuw onderkomen niet kunnen opbrengen en de gemeente „geen solide beleids- en financieel meerjarenplan” heeft ontvangen, ziet de gemeente daarvan af. Onderzoek door de gemeente naar dertig alternatieve locaties mocht niet baten; geen ervan was goedkoper of eenvoudiger te realiseren. De museumtramlijn kan alleen worden behouden tegen „zeer hoge gemeentelijke kosten”, schreef het dagelijks bestuur van stadsdeel Zuid in februari vorig jaar.

Hans de Meij (links).

Vorige maand stelde de gemeenteraad het bestemmingsplan vast; zonder rails en loodsen. Alleen het nieuwe college kan nog anders beslissen.

‘Volkomen krankzinnig’

„Een solide meerjarenplan?”, zegt De Meij opgewonden. „Het is volkomen krankzinnig. Al 43 jaar beheren wij Amsterdams cultureel erfgoed met een stel vrijwilligers. En nu worden we ineens als multinational aangesproken.” Volgens De Meij heeft de organisatie achter de museumtram tot twee keer toe plannen naar de gemeente gestuurd, maar die werden afgekeurd: financieel onhaalbaar. Momenteel wordt onderzocht of het raadsbesluit juridisch aanvechtbaar is. „Er zijn eenvoudiger dingen om te verzamelen”, verzucht De Meij. „Postzegels of zo.”

Deze tram reed in Amsterdam tussen 1904 en 1950.

Donderdagochtend, iets na elven, de lucht boven de tramremise Lekstraat kleurt grijs. Tingting! Een smal blauw trammetje, lijn 23 uit 1904, rijdt de GVB-remise uit. Deze middag rijden we De Meijs favoriete traject. Via Artis en de Plantage Kerklaan („Wij zijn de enigen die hier nog rijden”), de Dam („Man man, moet je kijken hoeveel taxi’s. Wegwezen, opzouten!”), de Leidsestraat („Hier kunnen trams elkaar niet passeren. Dit is mijn favoriete stukje om te rijden, dat begrijp je wel”) en het Museumplein („Ach, hier komt de bussenellende. Leuk die elektrische bussen, maar ze vormen wel een bedreiging voor de tram. Net zoals de Noord/Zuidlijn”) naar het Haarlemmermeerstation. Het tramnet kan hij dromen. „Al lang voordat ik mijn rijbewijs op de tram haalde, in 1976”, glimt De Meij.

We lopen langs de loodsen op het Havenstraatterrein, waar vrijwilligers oude tramwagens aan het restaureren zijn. De vraag dringt zich op waarom Amsterdam een groepje tramfanaten nodig heeft om de oude tramwagens van sloop te redden en te behouden voor latere generaties. Vervoerbedrijven in Den Haag en Rotterdam bewaarden oude trams wél voor museumdoeleinden.

„In Amsterdam werden de oude trams geassocieerd met ouwe troep”, zegt Richard Carels, sinds 1981 vrijwilliger bij de museumtram. „Die trams waren op een gegeven moment zó sterk verouderd. In de jaren vijftig hebben ze het gemeentelijk vervoerbedrijf bijna de kop gekost.”

Miljoenen

Of de museumtrams nu op het Havenstraatterrein mogen blijven of niet, de loodsen moeten sowieso ontruimd worden. Het verplaatsen van de trams en elders onderdak brengen kost volgens kenners miljoenen. „Wij gaan onmiddellijk failliet”, zegt De Meij.

De gemeente is niet van plan voor deze kosten op te draaien, aldus een woordvoerder. „Of de trams behouden blijven, is primair de verantwoordelijkheid van de tramorganisaties.” En als dat niet lukt? Sloop? „Het kan zijn dat de trams verdwijnen”, aldus de woordvoerder.

Het is iets voor enen als De Meij buiten een van de loodsen staat te praten met een andere vrijwilliger. „Misschien moet de boel dan maar escaleren. Ik ga hier voor de deur liggen als de bulldozer komt”, zegt De Meij emotioneel. „Al die jaren werden we toegejuicht – dat we dit als particulieren tot stand brengen! – en nu moeten we ineens ons bestaansrecht aantonen. We runnen wel een trambedrijf, hè.”