Recensie

Brieven waarin het onopzettelijke volstaat

Literaire briefwisseling

De dichters Judith Herzberg en Chris van Geel schreven elkaar jarenlang brieven, waarvan er 112 bewaard zijn gebleven. Ze gaan over alledaagse dingen, maar staan ook vol losse invallen, rake beelden.

Simone Weils identiteitspasje van de Franse verzetsorganisatie CNI, uitgegeven in Londen. Foto Photo12/UIG / Getty Images

‘In het bijzonder heeft de sfeer in het gedicht over mijn Grootmoeder mij getroffen. U roept met uw beelden een sterke en warme figuur op.’ Dat schrijft prinses Beatrix in maart 1969 aan de dan nog niet erg bekende dichter Chris van Geel. Ze heeft zijn eerste twee bundels ontvangen en ook zijn gedicht, uit 1962, geschreven bij het overlijden van haar grootmoeder Wilhelmina. Ze schrijft dat ze met mevrouw Van Leeuwen over zijn werk heeft gesproken. ‘Ik waardeer het dat U mij de gelegenheid biedt meer uitvoerig kennis te nemen van uw gedichten.’ Dat is de fijne deftige toon van het hof. Zo spreekt een prinses – of haar secretaris. Van Geel schrijft de stijve zinnen met plezier over in een brief aan diezelfde mevrouw Van Leeuwen, zijn goede vriendin en collega-dichter, beter bekend als Judith Herzberg.

Het briefje van Beatrix is een van de vele verrassingen in de uitgave van de correspondentie tussen Van Geel (1917-1974) en Herzberg (1934). Het gaat in die brieven over alledaagse dingen, maar toch vooral over elkaars gedichten. Over woorden, varianten, interpretaties, bundelplannen, gedoe met tijdschriften en uitgevers, en over het belang van het dichten. Het zijn serieuze brieven, met een hoog soortelijk gewicht: vol citaten, toespelingen, woordspelingen, kunstige formuleringen en verrassende beeldspraak. Mét tekeningetjes. Prachtige brieven dus.

Er zijn er maar 112 bewaard gebleven. Van Herzberg gingen de meeste verloren bij de brand, in 1972, in het huis van Van Geel. Herzberg is de meest argeloze van de twee: jonger, onbevangener, losser, spreektaliger. Bij Van Geel is de toon opgeschroefder. Hij kan zichzelf vastdraaien in al te spitse redeneringen. Hij is niet goed in de grote lijn – hij is de man van het detail, het rake beeld, de losse inval.

Zijn mooiste zinnen komen vaak terloops tot stand, tussen alle zoekende formuleringen door. ‘Men leeft om zijn kunsten af te leren’, is er zo een. Of deze verdediging van zijn vrijheid: ‘Alweer een plan is voor mij alweer een verplichting. En ik wil nu eenmaal eigenlijk niets. Ik weet alles, ben alles en heb alles.’ Hij wil geen plannen, geen afspraken, geen interviews. Waarom zou hij de publiciteit zoeken? ‘Het ongezochte, onopzettelijke en de eenzaamheid volstaan.’ Dat is meteen een karakteristiek van zijn leven en werk.

En natuurlijk komen er mooie dichtregels voorbij. ‘Ik zou de bladeren weer aan de takken willen hangen’, is het verlangen van een oude vrouw, in een gedicht van Herzberg. Van Geel besluit een sombere brief met ‘nog een somber versje om somber te eindigen in somber weer’. Het is een portret van een verlaten spinnenweb. ‘Het web houdt zijn gezicht hol in de wind, / de spin heeft het verlaten, sterren staan / er in en kou, wind scheurt het van de aarde, / van leeggevreten lijken waait het schoon.’ Wat een vondst om een web een gezicht te geven. En om in de vorm van het web een stér te zien: zo wordt het vergankelijke web in één beweging verbonden met de kosmos. En wat een wrange vondst om het leegwaaien ervan een vorm van schoonmaken te noemen. Opgeruimd staat netjes – zo is het nu eenmaal. Het leven is hard, dat wist Van Geel maar al te goed. De spin is alweer weg, op zoek naar nieuwe prooi.

    • Guus Middag