Recensie

Apologie van de holbewoners

Filosofie

Het nieuwe boek van de Denker des Vaderlands is een soort schimmenspel dat net zo paternalistisch uitpakt als de minachting voor het ‘volk’ die René ten Bos wil bestrijden.

Plato’s grot’, geschilderd door een onbekende Vlaming in het begin van de 16de eeuw Bridgeman Art Library/Getty Images

Hoe betweterig is een auteur die de hele moderne filosofie de les wil lezen, en wel wegens betweterij? Want dat lijkt precies wat René ten Bos doet in zijn nieuwe boek, Het volk in de grot. De filosofie heeft ‘altijd’ ‘diepe’ ‘minachting’ gehad voor het volk, stelt hij vast, en dat moet maar eens afgelopen zijn.

In dit essay zet Ten Bos, hoogleraar filosofie in Nijmegen en in 2017 verkozen tot Denker des Vaderlands, zich af tegen de notie van volksopvoeding, paideia of Bildung, waar we volgens hem sinds Plato mee opgescheept zitten. Zijn bewijsstuk à charge is de allegorie van de grot uit Plato’s klassieke De Republiek, waarin het volk gevangen zit in een schemerwereld en daaruit moet worden bevrijd door een elite van ‘koning-filosofen’ die de ware Ideeën achter de verschijnselen hebben aanschouwd. Het moet worden genezen – alsof het ziek is. De moderne elite, met name journalisten en wetenschappers, zijn volgens Ten Bos erfgenamen van dit paternalisme, als ‘hoeders van feitelijkheden’: zij kennen de waarheid en moeten die het volk bijbrengen.

Maar Ten Bos heeft er juist alle begrip voor dat het volk knusjes in die grot wil blijven zitten. Mensen zijn holbewoners die een veilige omgeving creëren om hun leven te kunnen leiden. Uit de grot ontsnappen naar het felle licht doet niet voor niets pijn. Een gelukkig leven stelt heel andere eisen, die het volk zelf heus wel onder de knie heeft. Het herbergt een intuïtieve levenservaring, die ten onrechte misprijzend wordt afgedaan als ‘vooroordelen’.

Zo komt Ten Bos dicht in de buurt van conservatieve filosofen, met hun afkeer van rationalisme, en van postmoderne denkers als de socioloog Baudrillard, die vaststelde hoe de ‘zwijgende meerderheden’ zich onttrekken aan elitaire of sociale pedagogiek. Zijn apologie van de grotbewoners heeft ook een persoonlijke kant. Ten Bos voelt, als arbeiderszoon, ‘een verwantschap’ met het gewone volk ‘waarvan ik durf te stellen dat menig populist er jaloers op zou zijn’. Zijn boek is dus vooral een provocatie aan het adres van wie ‘het volk’ feiten en waarheid wil bijbrengen. Maar snijdt het hout?

Het volk is niet homogeen

Op zichzelf lijkt Ten Bos’ pleidooi voor een soort speleologisch humanisme, dat mensen niet voortdurend de Waarheid in hun gezicht slingert, sympathiek. Ook is ‘het volk’ bij Ten Bos allesbehalve een massief begrip, zoals het plomp-romantische van eigentijdse populisten, die er een Platoons Idee van maken. Het volk is niet homogeen en spreekt niet met één stem. Het volk in de grot is bovendien razend vlot geschreven, zelfs iets te vlot – getuige het herhaalde woordje ‘maf’, dat ruikt naar wierook en lome popmuziek.

Veel problematischer is de populistische tegenstelling tussen volk en elite die het essay beheerst en die Ten Bos van Plato doortrekt naar het heden of, beter gezegd, die hij van het heden projecteert op Plato. Over de grotmetafoor, die Ten Bos gedetailleerd uiteenzet, bestaat een complexe exegese waar hij nogal makkelijk overheen stapt. Hij baseert zich vooral op de Duitse filosoof Hans Blumenberg, die het al voor de holbewoners opnam. Karl Popper, die De Republiek las als een voorafschaduwing van totalitarisme en de Goelag komt ook langs, met zijn ‘maffe theorie’ over het wetenschapsbedrijf.

Plato was zoals bekend geen democraat. Maar met de grotmetafoor kun je verschillende kanten op. Grofweg leggen sommige filosofen de nadruk op de kentheoretische inzet ervan (het moeizame opklimmen van conventionele naar filosofische kennis van de Ideeën), andere meer op de politieke en sociale lading (de vorming van koning-filosofen). De Republiek is tenslotte een verhandeling over het ideale stadsbestuur, geboren uit verontrusting over de executie van Socrates – let wel, door de elite.

Hoe je dit ook leest, Plato gaat uit van een kloof tussen de normale condition humaine en het inzicht van de enkele filosoof die het licht heeft gezien. Ten Bos spreekt vol afschuw over zulke paideia als een ‘genadeloze selectiemachine’. Maar Plato’s beginsituatie, de schemertoestand, geldt wel voor iedereen; de elite zit net zo goed in de grot als het volk (de gevangenen in de grot zijn ‘zoals wij’, zegt Socrates al meteen, in gesprek met zonen van de elite).

Of we eruit ‘moeten’, is ook nog maar de vraag. Integendeel, het zijn de filosofen die er volgens Plato naar terug moeten, om de zaken er in goede banen te leiden. Waarom ze dat doen – zijn ze het aan de samenleving verschuldigd, is het om te voorkomen dat het volk de macht grijpt? – is ook een kluif voor de exegese. Ten Bos spreekt van een ‘onbegrijpelijke compassie’. Maar het volk de Waarheid insleuren? Elders in De Republiek spreekt Socrates juist van de ‘nobele mythe’ of zelfs ‘leugen’ die nodig is voor een stabiele samenleving.

De manier waarop Ten Bos de grotmetafoor vertaalt naar het heden is al even prikkelend, maar twijfelachtig. Ook nu slaat de elite het volk volgens hem om de oren met Feiten en Waarheid. Inderdaad, de slogans van kranten na de zege van de volkse Trump lijken hem gelijk te geven; The New York Times adverteert met slogans als The truth has a voice; vele andere kranten pronken met fact checks.

Ze maken daarmee reclame – eerder een kwestie van verleiden dan van opvoeden. De waarheid is populaire pasmunt geworden en zeker niet meer voorbehouden aan een zittende elite. Integendeel, juist het moderne populisme is doortrokken van de esoterische pretentie het volk de échte feiten te tonen, achter de manipulaties en leugens. 9/11 en de aanslag op Charlie Hebdo? False flag-operaties van inlichtingendiensten. Massa-immigratie? Oikofobe deal van EU-politici en oliesjeiks. Klimaatverandering? Hoax van postmoderne bakfietsprofessors.

Wervingskantoor voor populisten

Plato’s grot is met andere woorden allang niet meer een ‘onderbuik’ voor de elite, maar vooral een wervingskantoor voor populisten die de holbewoners naar het licht willen leiden. Zij zijn de ware platonisten, niet politici die al een grimas trekken bij het naderen van een roze microfoon, of journalisten die de ‘boze, witte man’ zijn hart laten luchten. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat ‘het volk’ aan de macht is. Het controle- en beheersingsinstrumentarium van de moderne staat is ongeëvenaard. Maar het pontificale getetter van technocraten en journalisten waar Ten Bos zo van gruwt hoort, zou Heidegger zeggen, bij Das Man, kortom in de grot.

Geen wonder dat wie dit pakkende, irritante essay dichtslaat, wel even met zijn ogen staat te knipperen. De grot van Ten Bos is zelf een soort schimmenspel. Het arrogante paternalisme dat hij wil bestrijden, komt nu evengoed, of nog eerder, van nieuwe sofisten die namens de holbewoners zeggen te spreken, dan van een bovenlaag die baadt in het zonlicht.

    • Sjoerd de Jong