Column

Alles wat ik doe is een beetje last-minute

Dagboek Je bent 21 en hebt longkanker. Floor van Liemt schrijft over wat haar overkomt.

Illustratie Merel Corduwener

‘Rhammm. Bammm. Lammm’, klinkt het hard door de grote witte tent. Er hangen felgekleurde vlaggen. Een oude man zingt onverstaanbare lappen teksten door een microfoon. Ik doe mijn uiterste best de klanken te kopiëren, maar er is geen beginnen aan. Intussen ook nog mijn rug rechthouden, diep ademhalen en kleuren visualiseren, blauw, wit, groen, geel, rood. Hoe doen die honderden mensen om me heen dat? Ze komen uit alle windstreken. Ik kijk naast me en zie dat mijn moeder ook geen idee heeft wat ze aan het doen is.

Ik kan me voor geen meter concentreren. Het helpt niet dat ik achter een man zit die vanaf dag één van deze retreat het bloed onder mijn nagels vandaan haalt. Mijn moeder en ik noemen hem Ronald. Je kunt Ronald overal tussenuit pikken. Hij is groot, kaalgeschoren en spreekt zijn mantra’s harder uit dan de rest. Hij draagt zo’n typische goeroebroek en ook zit hij in een echte lotushouding, terwijl wij niet verder komen dan kleermakerszit.

Tussen de meditaties door betrappen we hem met een dubbele espresso in het café op de hoek. Haaaaa, Ronald, we hebben je door! Jij hoort kruidenthee te drinken! Ik zag het al aan je zwarte designerbril, je bent net zo’n nepperd als wij.

Gelukkig is Katiza ook hier op Tenerife. Zij is mijn yogalerares uit Amsterdam, met wie ik een paar keer per week afspreek. Ze geeft ademhalingsoefeningen en biedt een luisterend oor. Door haar heb ik nieuwe inzichten gekregen over de betekenis van leven en dood. Dat heeft me verlichting en rust gebracht. Op haar advies zijn mijn moeder en ik hierheen gevlogen, want zij denkt dat ik iets aan deze sessies kan hebben. Elke dag neemt ze de moeite om ons het een en ander over de mantra’s uit te leggen.

„Pain is here to make you stronger”, zegt ze

We hadden het last-minute geboekt, zoals alles wat ik doe tegenwoordig een beetje last-minute is. Bij aankomst bleek het een mega all-inclusive te zijn. Zeker 80 procent van de gasten is Brits, heeft obesitas en nog nooit van zonnebrandcrème gehoord. Onze verwantschap zit hem in het groene polsbandje, dat toegang geeft tot het eat-and-drink-till-you-die-buffetrestaurant waar we drie keer per dag binnenschuiven. Om ons heen zitten mensen voornamelijk in hun eentje aan tafel, omdat de rest alweer aan het opscheppen is. We hebben er desalniettemin diepe gesprekken, mijn moeder en ik.

Ik vertel haar dat ik me zorgen maak over de medicatie, dat die niet meer werkt. Mijn droge kuch is terug en ik voel me wat minder fit. De derde nacht word ik wakker van mijn eigen hoest. Een aanval die niet ophoudt. Ineens schiet een stekende pijn in mijn rechterflank.

Ik huil van onmacht, voel me terug bij af. Na een ibuprofen, codeïne en strepsil val ik weer in slaap, maar de volgende ochtend is de pijn er nog steeds. Ik ben boos en wil eigenlijk niet naar de ochtendmeditatie. Mijn moeder haalt me over om het toch te proberen. Kuchend loop ik de heuvel op richting de tent.

Daar komt Katiza naar me toe om me moed in te spreken. „Pain is here to make you stronger”, zegt ze. En ze herinnert me aan de gesprekken die we eerder hebben gehad.

Floor van Liemt schrijft een serie over wat haar overkomt. Lees hier het eerste deel: Ik vind mijn kanker een brutale aap

Ze maakt meteen een afspraak voor me bij een Tibetaanse dokter, die ook aanwezig is. Deze vrouw voelt aan mijn pols, met haar ogen dicht en lijkt niet ontevreden. Dan geeft ze me een zakje met zelfbereide medicijnen. Ze lijken op konijnenkeutels. Bij de lunch neem ik er maar een in. ‘Rhammm. Bammm. Lammm’ klinkt het. Je weet maar nooit.