Dorine (18) staat er alleen voor

Jeugdzorg

Wie opgroeit in een jeugdzorginstelling moet op zijn achttiende op eigen benen staan. Dat werkt niet. „Ik snap echt geen fuck van belastingen.”

Dorine (18) en knuffel Olaf. Ze woonde tot voor kort in een gesloten jeugdzorginstelling. Nu woont ze, tot november, ‘beschermd’ zelfstandig. Het is onzeker of er daarna een woning voor haar is.

In Leiden woont een achttienjarig meisje op kamers. Ze studeert niet – ze heeft geen schooldiploma’s. Ze zit niet bij een jaarclub – haar vriendenschare telt één persoon. Ze droomt niet van de toekomst – ze heeft nachtmerries over haar verleden.

Het meisje, Dorine, woonde tot voor kort in een jeugdzorginstelling. Ze zat ‘gesloten’: haar gedragsproblemen waren zodanig dat de rechter instemde met het inperken van haar vrijheid. Ze namen haar telefoon in, ze fouilleerden haar dagelijks, doorzochten haar kamer op bezit van alcohol of drugs – middelen die ze naar eigen zeggen niet gebruikte. Ze bepaalden ook of ze wel of niet op verlof mocht om haar familie te zien. Soms weigerden ze een verlofaanvraag, en als ze dat onterecht vond kon ze zo boos worden dat ze insloeg op deuren en muren zonder dat ze pijn voelde. Dan duwden vijf medewerkers haar tegen de grond en stopten haar in een gesloten cel. Ze heeft er meerdere nachten doorgebracht.

Afgelopen november, drie dagen voor ze achttien werd, had Dorine nog ruzie met de leiding die „moeilijk deed” toen ze iemand wilde bellen. Twee dagen later moest ze uit de instelling weg: als iemand achttien wordt lopen rechterlijke machtigingen voor plaatsing in gesloten instellingen abrupt af. Dorine wilde niets liever. Ze haalde de kleurplaten van haar zusje van de muren, stopte haar spullen in supermarkttassen en verliet de instelling voorgoed. Plots was ze – verplicht – zo vrij als een vogel.

In Nederland wonen bijna 15 duizend jongeren in jeugdzorginstellingen. Hun ouders kunnen hen niet opvoeden door eigen onvermogen of door gedragsproblemen of psychische klachten bij de kinderen zelf. Van die jongeren vertrekken er jaarlijks ruim duizend uit de jeugdzorginstelling: niet omdat hun problemen zijn opgelost, maar omdat ze meerderjarig zijn geworden. Ze moeten op eigen benen staan. Een woning vinden, huur betalen, school afmaken, een baan regelen.

Dat gaat lang niet altijd goed. Sommigen lopen vast. Ze blijven weg van school of werk. Ze kunnen de huur niet betalen, zwerven van adres naar adres, belanden soms op straat. Ook al blijven de meeste jongeren overeind, hun evenwicht is wankel, op het riskante af.

Dit probleem – de overgang van jeugdzorg naar een volwassen leven – heeft al jaren de aandacht van de overheid. „Het ontbreekt deze jongeren aan steun en aansturing op weg naar zelfstandigheid”, schreef onderzoeksinstituut Verwey Jonker in 2009 in opdracht van het toenmalige ministerie voor Jeugd en Gezin. Afgelopen januari, negen jaar later, verscheen de evaluatie van de nieuwe Jeugdwet, die in 2015 van kracht werd. Jongeren voelen zich „niet goed voorbereid” op het leven na hun achttiende, aldus de onderzoekers: ze „lijken onvoldoende vaardig” in het omgaan met geld of het regelen van hulp.

Dorine’s door automutilatie gehavende arm. Foto Daniël Niessen

NRC sprak uitvoerig met vier jongeren die net meerderjarig zijn – zij wilden alleen met hun voornaam in de krant, hun volledige naam is bij de redactie bekend. De krant sprak daarnaast hulpverleners, onderzoekers, gemeenteambtenaren en de minister over dit hardnekkige en gecompliceerde probleem. Het gaat over het verschil tussen meerderjarig en volwassen. Het gaat over de gekte van regels. En het gaat, bovenal, over de impact van een nare jeugd.

Probleem één: de jeugd

Dorine was in groep één al op zichzelf. In de buurt van het speelgoedkeukentje dat zij in het leslokaal als haar vaste plekje had geclaimd, duldde ze geen klasgenoten. Ze was ook somber – depressie zit in de familie. Op de middelbare school werd ze gepest, kreeg ze paniekaanvallen, ze spijbelde. Ze bezocht psychologen en jeugdhulpverleners, maar die kregen op haar geen grip. Haar ouders evenmin. „Mijn ouders begrepen me vaak niet.” Dorine had „veel ruzie” met hen en het hele gezin – broertjes, zusjes – had er last van. Dorine was vijftien en moest het huis uit.

In de gesloten instelling had ze niet alleen te maken met haar eigen problemen, maar ook met die van anderen. Ze heeft mensen van gebouwen zien springen. Ze zag een man van een naastgelegen volwassenenafdeling zichzelf in brand steken. Een jongen met wie ze in de instelling graag fitnesste omdat ze hem „gezellig en rustig” vond, liep na zo’n sportavond weg, en raakte vermist. Op het nieuws een paar weken later zag ze dat hij gevonden was, dood in het water. Ze voerde „hele gesprekken” met een groepsleider die enthousiast was over zijn nieuwe baan in een tbs-kliniek. Een paar dagen was de kliniek in het nieuws, zag Dorine. Een patiënt had de nieuwe medewerker gedood met een schaar.

Mijn ouders begrepen me vaak niet

Zo heeft elke jeugdzorgjongere zijn eigen verhaal. Bij Ruandson, negentien jaar, was er vroeger altijd ruzie. Hij werd ook geslagen. Zijn moeder nam hem op zijn negende mee naar Brazilië, waar hij naar school moest. Zijn vader haalde hem terug naar Nederland, zijn moeder volgde, en de ruzies begonnen van voren af aan. Ruandson belandde in een jeugdzorginstelling. „Door al die shit” zakte hij terug van havo naar mavo. Vanaf zijn zestiende gebruikte hij wiet, xtc, ketamine en speed.

Lilly, achttien jaar, groeide op zonder biologische vader. Haar moeder kon geen stabiel thuis bieden door problemen waarover Lilly niet wil praten. Zolang het ging woonde ze bij haar moeder, en anders verhuisde ze naar een pleeggezin. Eén keer wachtte een politieauto haar in een schoolpauze op. Alle kinderen op het schoolplein zagen dat ze instapte. Het ging thuis echt niet goed, zeiden de agenten: Lilly moest acuut naar wéér een pleeggezin. Ze heeft bij tien pleeggezinnen gewoond en wisselde elf keer van school.

Of een meisje uit Nijmegen, twintig jaar. Tot haar achtste was ze „een blij en eigenwijs kind”, zegt ze. En toen begon seksueel misbruik dat zes jaar aanhield. Daarom wil ze niet met haar naam in de krant: de dader loopt nog vrij rond. Ze heeft geen aangifte gedaan omdat ze „die rollercoaster” niet wilde. Vanaf 3 havo ging het helemaal mis met haar: ze ging thuis ruzie maken, viel flauw in de klas. Ze kwam terecht in een jeugdzorginstelling, en raakte in een identiteitscrisis. Rond die tijd zag ze op Facebook vakantiefoto’s van de rest van haar gezin, zonder haar in Frankrijk.

In open jeugdzorginstellingen mogen jongeren vaak geleidelijk toewerken naar hun zelfstandigheid. Sommigen krijgen – als ze dat willen én de gemeente instemt – een half jaar of een jaartje verlenging van hun hulp. Maar feit is: op hun negentiende staan de meesten op eigen benen. Vaak zonder noemenswaardig netwerk: hun problemen staan een sociaal leven in de weg en door het leven in de instelling zijn ze niet thuis in de normale omgangsvormen. Dorine heeft een vriendje – meteen haar enige vriend. Ruandson heeft wel vrienden maar verwacht bij gebrek aan familie meer van hen dan ze kunnen bieden, zegt hij. Eenzaamheid knaagt aan hem. Soms scrollt hij tevergeefs door zijn telefoon op zoek naar mensen die hij kan bellen.

Ruandson (19) wil graag een ‘buddy’ om zijn hart bij te luchten. Om te praten over “zo’n situatie” als de relatie met zijn vader en moeder.

Door de problematische jeugd volgen problemen met werk en school. Dorine heeft last van black-outs bij tentamens – ze probeert wiskunde en aardrijkskunde te halen via het volwassenonderwijs. Dan kan ze de rekenstappen ineens niet meer maken, wordt ze wanhopig en gaan haar gedachten terug naar wat er gebeurd is. Het fixeren, de separeercel, het geweld. School stelt ze daarom voorlopig uit. Ruandson moet dit jaar van zijn toerisme-opleiding aan het ROC overdoen: hij is te vaak weggebleven. Het meisje uit Nijmegen heeft een posttraumatisch stresssyndroom. Een bijbaan lukt niet, zegt ze. „Ik kreeg al slapeloze nachten als caissière bij de Albert Heijn.”

Foto Daniël Niessen

Slapen en opstaan is sowieso een probleem. Lilly ligt vaak uren wakker door gepieker. Dorine droomt, nacht na nacht, dat de politie haar komt halen en weer terugbrengt naar de instelling. Ruandson blowt dagelijks – „de enige uitlaat die ik heb” – en de volgende ochtend slaapt hij soms door de wekker heen – „en dan heb ik er drie gezet”.

Kortom: deze jongeren hebben bij de start van hun volwassen bestaan de handen vol aan hun eigen problemen. Maar rust om die problemen op te lossen is hun niet gegeven. Ze moeten ‘het systeem’ in.

Probleem twee: het systeem

De overheid overschat de burger. Regels zijn te complex. De zelfredzaamheid die de participatiesamenleving vereist, is een illusie. Dat schrijven adviesraden, ombudsmannen en planbureaus de afgelopen jaren in rapport na rapport.

Zo schreef de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid in april 2017: ‘Weten is nog geen doen. Een realistisch perspectief op zelfredzaamheid’. De Nationale Ombudsman sprak in 2017 in een NRC-interview over ‘de illusie van zelfredzaamheid’. En het Sociaal en Cultureel Planbureau publiceerde in 2014 al het essay: ‘Rijk geschakeerd, op weg naar de participatiesamenleving’.

Of het nu gaat om het aanvragen van schuldhulp, het regelen van een uitkering of het begrijpen van een brief van de Belastingdienst: voor menigeen is het te ingewikkeld.

Dat geldt ook voor de jongeren uit de jeugdzorg. Zij moeten hun leven van de grond af opbouwen. Onderdak regelen, geld, studiefinanciering, zorgverzekering. Luister naar Ruandson. „Ik snap echt geen fuck van belastingen.” En: „Hoe neem ik een andere huisarts? Is er een soort magische hocuspocusceremonie ofzo waarmee mijn dossiers overgaan?”

Eerste opgave: het vinden van een huis. De woningnood is in veel gemeenten hoog. Dorine zit nog tot november goed: haar jeugdzorg is overgegaan in zorg vanuit de wet maatschappelijke ondersteuning (wmo). ‘Beschermd wonen’, zo luidt in jargon wat Dorine in haar eerste eigen kamertje doet. Maar na november heeft ze een probleem. Mogelijk kan ze terecht in een van de achthonderd Leidse woningen bestemd voor jongeren, maar die lijkt pas vier maanden ná november vrij te komen. Het is onduidelijk waar Dorine in de tussentijd zal wonen.

Ik snap echt geen fuck van belastingen

Het meisje uit Nijmegen staat al twee jaar op de wachtlijst voor een woning. Liever wil ze een studentenkamer, maar ze heeft geen succes op hospiteeravonden, waarvan ze er „rond de twintig” bezocht. Ze woont tijdelijk bij haar moeder.

Vinden de jongeren een woning, dan wacht de volgende horde: het betalen van de huur. Neem opnieuw Dorine. In haar woonplaats Leiden betaal je voor een woning al gauw een euro of vierhonderd per maand. Dorine werkt nu parttime achter de kassa in de supermarkt. Maar zelfs al werkt ze er fulltime, het minimumjeugdloon voor achttienjarigen is netto slechts 680 euro per maand. Daarvan moet ze naast de huur ook haar zorgverzekering, telefoonabonnement en de boodschappen betalen. Omdat ze ‘beschermd’ woont betaalt ze nu geen huur, maar een ‘eigen bijdrage’ van 160 euro per maand. En nu al zit ze krap bij kas. Met haar vriend moet ze rondkomen van 40 euro per week. Dat gaat op aan eten. „We houden alle aanbiedingen in de gaten.”

De kamer waar Dorine nu slaapt. Foto Daniël Niessen

Ook Ruandson en het meisje uit Nijmegen komen moeilijk rond: hij had laatst „een beetje schulden bij een incassobureau”, zij leent maximaal bij bij DUO, de instelling voor studiefinanciering. „Schulden komen veel voor bij deze jongeren”, zegt Nelleke Melse, ondersteuner van de jongerenraad van jeugdzorginstelling Cardea. „Ze moeten veel, ze hebben weinig en de verleidingen zijn groot.” Krijgen Ruandson en het Nijmeegse meisje zulke grote schulden dat schuldhulp raadzaam is, dan komen zij als ontvangers van studiefinanciering een nieuw probleem tegen. Elke nieuwe maandstorting van studiefinanciering geldt als nieuwe schuld, en nieuwe schuld blokkeert de toegang tot schuldhulp. Dus bij grote schulden staan deze jongeren voor een dilemma: ze moeten óf de schuldhulp links laten liggen óf afstand doen van hun studiefinanciering. In dat laatste geval is de vraag of ze dan nog kunnen studeren.

Zo zijn er tal van complicaties. De eis dat je een adres moet hebben om een uitkering te kunnen aanvragen. De inkomstenloze – en dus riskante – wachttijd van vier weken tussen aanvraag en ontvangst van een uitkering. De onmogelijkheid van huurtoeslag bij een maandhuur boven de 420 euro.

En verhuist de jongere naar een nieuwe gemeente, dan begint alles van voren af aan.

Is er geen hulp voor deze jongeren dan? Geen begeleiding? Jawel. Maar die hulp is bedoeld voor volwassenen. Niet voor kinderen die net meerderjarig zijn.

Probleem drie: meerderjarig is niet volwassen

‘Jeugdzorgloze’ jongeren kunnen het zich doorgaans veroorloven volwassen te worden in stapjes. Ze betalen wel de eigen boodschappen en kleren, maar geen collegegeld en niet hun rijlessen. Ze wonen doordeweeks op kamers, en in het weekend bij vader en moeder thuis. Of ze gaan helemaal dat huis niet uit: Nederlandse jongeren zijn gemiddeld 24 jaar en zeven maanden oud als zij op zichzelf gaan wonen, blijkt uit cijfers van het CBS.

Dat klinkt laat. Maar volgens de hersenwetenschap is het precies op tijd. Rond het 24ste levensjaar raken mensenhersenen volgroeid. En juist in die laatste jaren boven de 20 komen belangrijke functies tot wasdom als plannen, het beheersen van impulsen en het reguleren van emoties.

Jongeren uit de jeugdzorg beginnen hun volwassen bestaan niet alleen zonder ouderlijke steun, zonder netwerk en met op hun rug een zak vol rottigheid, ze hebben bovendien in hun hoofd een stel hersens op driekwart van de groei.

„Deze jongeren hebben vaak de neiging zichzelf te overschatten”, zegt Bas Wijnen, adviseur bij het Nederlands Jeugd Instituut. „Ze denken: we kunnen het zelf wel. We zijn klaar voor de vrijheid.” Soms verlangen ze zelfs naar vrijheid tegen beter weten in. Ruandson: „Ik wil het allemaal zelf doen. Ook al gaat het moeilijk, ook al snap ik er helemaal niets van, ik wil niet het gevoel hebben dat iemand mijn handje vasthoudt.” Immers: „Ik ben verdomme bijna twintig.”

Ik ben verdomme bijna twintig

Er ís hulp, voor deze jongeren. Hulp vanuit de wet maatschappelijke ondersteuning (wmo) is vanuit de jeugdzorg een gangbare vervolgstap – zie Dorine. De wmo is bedoeld voor mensen die hulp nodig hebben om zelfstandig te functioneren. Denk aan hulp bij het beheren van de administratie of het indelen van de dag. Maar er is één funest verschil met de Jeugdwet: de wmo is bedoeld voor meerderjarigen. Lees: volwassenen. Zij die hulp nodig hebben, moeten zich dan ook volwassen gedragen.

Foto Daniël Niessen

Zo moeten wmo-gebruikers een eigen bijdrage betalen: volwassenen hebben immers enige kapitaalkracht. Maar voor jongeren gaat het om heel veel geld. Zou Dorine geen eigen bijdrage à 160 euro per maand betalen, dan zou ze twee keer zo veel te besteden hebben.

Veel jongeren belanden niet eens in de wmo, zeggen hulpverleners. De wet vergt van hulpbehoevenden namelijk ook dat zij zo volwassen zijn om zelf bij gemeente of wijkteam aan te kloppen voor hulp. En dat zij zélf de vraag naar hulp onder woorden brengen, zoals volwassenen dat doorgaans kunnen. Nelleke Melse: „Jongeren weten vaak niet eens waar ze zo’n wijkteam kunnen vinden.”

Belangrijker nog, veel jongeren wíllen – à la Ruandson – dat wijkteam niet eens vinden. Alle hulpverleners in de jeugdzorg zeggen het: jongeren van achttien of negentien zijn meestal klaar met hulp, klaar ook met het wennen aan wéér een nieuwe hulpverlener. En dus laten ze zorg en begeleiding bewust links liggen. Dat brengt risico’s met zich mee, zegt Melse. „Deze jongeren zijn lang niet altijd klaar voor volledige zelfstandigheid.”

Tjalling de Vries, programmamanager transformatie sociaal domein voor gemeente Enschede: „Soms denken wij: hulp aan deze achttienjarige zou wel op zijn plaats zijn.” Maar de achttienjarigen beslissen zelf, en hun vrijheidsdrang is groot. „Wij kunnen ze niet dwingen tot hulp”, zegt De Vries. „Meerderjarig is meerderjarig.”

Gemeenten kúnnen jeugdhulp verlengen. Tot maximaal 23 jaar. Maar jeugdhulp-met-verblijf is prijzig. Een jaar in een instelling kost ongeveer een ton. Gezien de forse bezuinigingen op jeugdhulp in de afgelopen jaren staan gemeenten niet te springen om nog meer van die hulp. Dat merkte Lilly, die na haar achttiende verjaardag graag in jeugdzorginstelling Sterk Huis wilde blijven wonen om 6-vwo af te maken: ze wilde in haar examenjaar niet stressen over het vinden en betalen van een eigen huis. Pas na aandringen, een afwijzing en opnieuw aandringen kreeg Lilly toestemming van haar gemeente, Tilburg, om te blijven wonen waar ze woont, blijkt uit correspondentie ingezien door NRC. Lilly: „De onzekerheid zorgde voor constante stress.” De gemeente Tilburg laat weten de „precieze casus niet te hebben achterhaald. Maar het is nooit de bedoeling dat een kind klem komt te zitten in het systeem.”

Mag ik mijn vwo-eindexamenjaar in deze instelling blijven? Zegt de gemeente, via een ‘beschikking’, ja? Dat hield Lilly (18) maanden bezig.

Lilly is een uitzondering: meestal hebben jongeren uit de jeugdzorg geen trek in verlengde jeugdhulp. En dus haken ze af. En zijn ze eenmaal een half jaar uit de jeugdzorg, dan kunnen ze op die verlengde jeugdhulp geen beroep meer doen.

Kortom: er bestaat geen stevige, wettelijke waarborg tegen de vrijheidsdrang en zelfoverschatting van achttienjarigen. Meerderjarigheid telt zwaarder. Ook als die vrijheidsdrang een recept is voor ongelukken.

Zo kreeg hulpverlener bij zorginstelling Koraal Karim Landoulsi twee jaar geleden een telefoontje van een 20-jarige jongen die twee jaar eerder bij het vertrek uit de instelling het advies om hulp te zoeken links had laten liggen. „Karim, ik sta hier op straat met twee vuilniszakken, ik weet niet meer waar ik naartoe moet.” Joy Falkena, belangenbehartiger voor Haagse dak- en thuislozen, trof precies zo’n meisje: ze had maandenlang in een kelderbox geslapen, had geen ID-kaart en geen zorgverzekering meer. Tjalling de Vries van gemeente Enschede heeft jeugdzorgjongeren twee of drie jaar later zien „oppoppen” als politie-verdachten. En Nelleke Melse zag anderhalf jaar geleden een meisje van achttien afglijden, en tóch alle hulp weigeren. Ook zij belandde op straat.

De oplossing

Dat achttienjarigen beter verdienen, vinden alle betrokkenen. Maar, zegt Bas Wijnen van het Nederlands Jeugd Instituut: „Een simpele oplossing is er niet. Het probleem is te gelaagd. Het gaat én over schurende wetten, én over de rol van gemeenten, én over de woningmarkt, ga zo maar door.”

Pogingen tot verbetering zijn hoe dan ook talrijk. De gemeente Leiden eist van jeugdhulpverleners dat zij met de jongere een toekomstplan maken dat af is bij 17,5 jaar, zodat de stap naar zelfstandigheid soepeler verloopt.

Dorine (18) zat in een gesloten instelling. Daaruit móét je op je 18de weg. In één dag van grote onvrijheid naar totale vrijheid.

Instelling Cardea geeft een „vertrektraining” à tien uur per week aan 16- en 17-jarigen die een groot risico lopen om na hun achttiende op straat te belanden. Enschede en Apeldoorn proberen om de regels heen te werken: zit een jongvolwassene in de schuldsanering, zodat studiefinanciering er niet in zit? Dan overwegen die gemeenten om die onderwijskosten te betalen. En jongeren zelf pleiten voor een ‘strippenkaart’ die hen het recht geeft om als jongvolwassene een keer of tien te kunnen terugvallen op hun oude jeugdhulpverlener.

Minister Hugo de Jonge (VWS, CDA) presenteerde afgelopen maandag plannen die bij dit soort initiatieven aansluiten: hij wil betere begeleiding, en een soepeler overgang van jeugdhulp naar volwassenenhulp.

Dorine en haar vriend. Foto Daniël Niessen

Hulpverleners prijzen zijn intenties, maar zijn ook sceptisch. Joy Falkena: „Dat de overgang van jeugdzorg naar volwassenzorg soepeler moet, roepen we al tien jaar. Maar hij wordt niet soepeler.” Zelfstandig jeugdzorg-adviseur Fietje Schelling: „Een overgang van de ene vorm van hulp naar de andere is per definitie riskant. Het risico blijft groot dat jongeren uitvallen.”

Veel jeugdhulpverleners pleiten voor een wijziging van de wet. Ze willen een hogere leeftijdsgrens voor jeugdhulp. Een grens bij 21 of 23 jaar. Niet in de vorm van verlengde jeugdhulp zoals nu, maar als nieuwe, wettelijke standaard. Ook brancheorganisatie Jeugdzorg Nederland pleit ervoor, net als Stichting Zwerfjongeren Nederland en Federatie Opvang, brancheorganisatie voor maatschappelijke opvang. Schelling: „Jongeren zónder steun van hun ouders kunnen we niet aan hun lot overlaten. De overheid móét hen beschermen.” Zeker, ook bij een hogere leeftijdsgrens hebben jongeren de vrijheid hulp links te laten liggen, zegt Joy Falkena. „Maar met zo’n hogere leeftijdsgrens kunnen jongeren die tussen de achttien en twintig vastlopen, ten minste terugvallen op de jeugdzorg. Dat kan nu niet. Hoe mooi zou het zijn als deze jongeren weer terecht kunnen bij hun oude begeleider?”

De Jonge is niet ongevoelig voor de roep om verhoging van de leeftijdsgrens: voor pleegzorg komt die er, zo maakte hij afgelopen maandag bekend. Vanaf juli kunnen pleegkinderen – als zij dat willen – tot hun 21ste in hun pleeggezin blijven wonen. „We kunnen niet verwachten van kwetsbare jongeren dat ze eerder op eigen benen staan dan jongeren die thuis bij hun ouders opgroeien,” aldus De Jonge maandag in NRC.

Maar tot het verhogen van de leeftijdsgrens voor de hele residentiële jeugdhulp gaat hij voorlopig niet over. „Jongeren in een pleeggezin voelen zich vaker thuis dan jongeren in een instelling. Die willen bij achttien vaak weg.” De minister erkent dat zo’n achttienjarige vervolgens geregeld afglijdt. „Daarom wil ik ook een toekomstplan voor elke jongere.” De minister volstaat met het voornemen de verhoging van de leeftijdsgrens „te verkennen”. Komende maandag worden de jeugdzorgplannen besproken in de Tweede Kamer.

Voor de jongvolwassenen van nu komt dat debat vermoedelijk te laat. Zij hebben zo hun eigen sores. Lilly van achttien is aan het blokken voor haar vwo-examen. Ruandson van negentien moest anderhalve week geleden weg uit zijn anti-kraakwoning, en moet nu – terwijl hij op stage is in het buitenland – alvast op zoek naar een nieuwe woning. Het meisje uit Nijmegen heeft „wel een paar keer per maand” ruzie met haar moeder omdat ze het thuiswonen ontwend is. En Dorine kan „echt een drama maken” als het geld op is aan het einde van de week. Wat ze later wil worden, weet ze niet. Ze wil vooral beginnen aan haar traumabehandeling om beter met haar verleden om te gaan. Er is een wachtlijst.