Zorgverzekeraars: premies moeten fors omhoog

Zorg De vier grote zorgverzekeraars Achmea, CZ, Menzis en VGZ kunnen niet veel verder interen op hun reserves. Als het niet lukt om de zorgkosten te verlagen, moeten de premies omhoog.

De buffers van de vier grote verzekeraars – samen goed voor 90 procent van de markt – naderen de kritische zone die ze zelf hebben vastgesteld. En dat betekent dat ze hun reserves nog maar in beperkte mate kunnen inzetten voor demping van de premiestijging. Foto Koen van Weel/ANP

Het interen op reserves is bijna niet meer mogelijk voor de vier grote zorgverzekeraars. De afgelopen jaren hebben ze een forse stijging van zorgpremies kunnen voorkomen door hun eigen vermogens af te bouwen. Maar de tijd dat ze hun zorgverzekeringen onder de kostprijs kunnen aanbieden is voorbij, waarschuwen Achmea, CZ, Menzis en VGZ in hun jaarverslagen. VGZ was donderdag de laatste grote zorgverzekeraar die zijn jaarverslag publiceerde.

Nadat in 2016 alle grote zorgverzekeraars verlies maakten, schreef vorig jaar alleen Menzis zwarte cijfers (45 miljoen euro). Menzis was ook de verzekeraar die in 2017 zijn premie forser had verhoogd euro per maand dan zijn concurrenten, naar 119 euro.

Achmea (128 miljoen euro verlies), CZ (140 miljoen) en VGZ (107 miljoen) boekten – met lagere premies tussen de 112 en 119 euro – allemaal verlies. Hun totale verlies was met 330 miljoen euro in 2017 bijna gelijk aan dan van 2016 (334 miljoen euro), blijkt uit een inventarisatie door NRC van de jaarverslagen.

Als ze niet tientallen miljoenen euro aan resultaat op hun beleggingen hadden gemaakt, waren die verliezen zelfs hoger uitgekomen. Menzis heeft ook een negatief verzekeringsresultaat (premie-opbrengsten minus zorg- en bedrijfsvoeringkosten), maar maakt desondanks winst door vooral de beleggingsopbrengsten van 70,3 miljoen euro.

De buffers van de vier grote verzekeraars – samen goed voor 90 procent van de markt – naderen de kritische zone die ze zelf hebben vastgesteld. En dat betekent dat ze hun reserves nog maar in beperkte mate kunnen inzetten voor demping van de premiestijging. Daarmee begonnen de zorgverzekeraars drie jaar geleden na veel kritiek uit de samenleving dat ze te veel geld oppotten. In drie jaar tijd hebben ze 3,6 miljard euro teruggegeven aan hun verzekerden. Die teruggave zijn ze al aan het afbouwen. Om de premie van 2018 niet te veel te laten stijgen, wordt dit jaar nog maar 479 miljoen euro teruggegeven aan de verzekerden.

De zorgverzekeraars rest nu slechts twee mogelijkheden om niet in de gevarenzone te komen: de premie verhogen of de zorgkosten verlagen. Achmea en CZ gaven bij de presentatie van hun jaarverslagen onomwonden aan dat een forsere premiestijging dan in de afgelopen jaren onontkoombaar is. Een stijging die twee keer zo hoog uitkomt dan het afgelopen jaar (3 procent) is geen onrealistische gedachte, meldde CZ. VGZ wil daar niet aan. De zorgkosten moeten nu echt worden aangepakt en dat kan ook, schat VGZ in.

‘Woeste uitdaging’

Is VGZ optimistischer dan de andere verzekeraars? „Ja, wij zijn optimistischer dan sommige van onze concurrenten. We denken echt dat door een daling van de zorgkosten bij de ziekenhuizen uit ons netwerk onze premie niet zo hard hoeft te stijgen de komende jaren”, zegt Kees Hamster, financieel directeur van VGZ op het hoofdkantoor in Arnhem. „We hebben inmiddels met elf ziekenhuizen afspraken gemaakt in meerjarencontracten dat ze in omzet zullen krimpen. Daar komen dit jaar met meer zorgaanbieders meerjarencontracten bij. Die omzet daalt door acties die door artsen zelf zijn bedacht. Wij leggen die bezuinigingen niet op, de patiënt mag het niet merken aan de zorg die hij krijgt.”

Een voorbeeld? „Een arts vond uit dat als je een bepaald middel tegen een nierziekte niet op de nuchtere maag slikt – zoals altijd voorgeschreven – maar na je ontbijt, dat je dan kan volstaan met een lagere dosering. De kosten dalen van 12 naar 9 miljoen euro en de patiënten voelen zich lekkerder. Nog een voorbeeld: kinderen met astma hoeven bij het Radboudumc veel minder vaak op controle, omdat de artsen ze via digitale weg thuis kunnen monitoren.”

Zinnige zorg, heeft VGZ zijn strategie gedoopt. „Wij denken dat we daarmee de zorgkosten in vijf jaar tijd met 15 tot 20 procent kunnen terugbrengen”, aldus Hamster.

„Wij zijn niet pessimistischer, wij zijn prudenter”, zeggen Wim van der Meeren en Arno van Son, de twee bestuurders van CZ op hun hoofdkantoor in Tilburg. „VGZ gaat een woeste uitdaging aan. Wij volgen met grote belangstelling wat zij doen en vragen ons ook af of we niet iets fout doen”, zegt Van der Meeren. „Wij maken ook meerjarenafspraken, maar de cultuurverandering gaat bij veel ziekenhuizen meer tijd kosten dan VGZ inschat. Die ziekenhuizen zijn nog verslaafd aan omzet maken. En ook de cultuur van patiënten moet veranderen. Die vinden nog altijd dat behandelen beter is dan niet-behandelen.”

Van der Meeren en Son zien meer bedreigingen die de zorgkosten eerder zullen laten oplopen dan laten dalen. De vergrijzing die zal leiden tot meer vraag naar zorg, de inflatie die lonen opdrijft. En de prognoses van zorgkostenstijgingen in het beleid, die een selffulfilling prophecy worden.

Van der Meeren: „Het ministerie geeft aan dat in de komende vier jaar de zorgkosten met ongeveer 8 miljard euro stijgen, ongeveer de helft daarvan moet door de zorgpremies worden opgebracht. Zorgaanbieders, zoals de ziekenhuizen, doen net alsof dat geld al op de plank ligt en uitgegeven moet worden. Hoe kan ik dan nog scherp met ze onderhandelen?”

Concurrentiestrijd

Zo ontbrandt voor het eerst sinds de stelselwijziging uit 2006 een concurrentiestrijd die alleen maar gaat om de kosten van de zorg en de hoogte van de premie. De reserves uit het verleden spelen geen rol meer.

Daarbij kijken de verzekeraars ook nog verschillend naar hun eigen kosten voor bedrijfsvoering. VGZ denkt door bezuinigingen en digitalisering goedkoper te kunnen opereren. In het afgelopen jaar kwam de verzekeraar door de sluiting van kantoren in conflict met de vakbonden. Hamster: „We hebben inmiddels afspraken met de bonden voor de komende 2,5 jaar om grote veranderingen door te voeren.”

Toch levert bezuinigen op de bedrijfsvoering voor de verzekerden maar kleine gevolgen voor de premie op. Aan de eigen organisatie gaat bij de vier grote verzekeraars slechts 300 tot 400 miljoen euro op. Van der Meeren: „Wij zijn al slank, we zien daar niet zo veel ruimte voor. We willen ook onze medewerkers goed waarderen.”

Met eigen vermogens van 1,4 tot 3 miljard euro lijken de zorgverzekeraars nog steeds een grote buffer te hebben. Critici en sommige politici roepen dan ook nog steeds dat ze rijk zijn. Is dat een mythe? „Ja, dat speelt ons nog steeds parten in het maatschappelijk debat”, zegt Hamster, „het kost tijd om die mythe te laten verdwijnen.”

„Het is geen mythe, we hebben grote reserves”, zegt Van der Meeren. „Maar die reserves hebben we ook hard nodig.” Zijn collega Van Son: „Zie het zo: als wij drie maanden geen premies ontvangen, hebben we in die tijd al onze reserves aan zorg uitgegeven. Zo snel kan het gaan.”

Dichtbij bandbreedte

Voor de verzekeraars is het beheersen van hun risico’s door een strak beleid op hun reservers belangrijker dan een snelle groei in het aantal verzekerden. Inmiddels zijn de vier grote verzekeraars met een solvabiliteit (de maatstaf in hoeverre zij de claims van hun verzekerden kunnen dekken) tussen de 140 en 150 procent allemaal in of dichtbij hun gewenste bandbreedte aangekomen. Toezichthouder De Nederlandsche Bank houdt een solvabiliteit van 100 procent aan als absoluut minimum, waarop DNB ingrijpt en de macht overneemt bij een verzekeraar. Nu al kijkt DNB streng met de verzekeraars mee of ze niet te veel risico’s lopen en de buffers voldoende zijn om onverwachts hogere zorgkosten, tegenvallende beleggingsresultaten of een te laag vastgestelde premie op te vangen.

Om uit de klauwen van DNB te blijven en een eigen beleid te voeren streven de verzekeraars naar een solvabiliteit van 125 of 130 procent, met een uitloop van 10 of 15 procentpunt naar boven en beneden. „We kunnen een jaar door incidenten best op 120 procent uitkomen, maar daarna moet het direct omhoog”, zegt Van Son. „Door die bandbreedte kunnen we de premie ook stabiel houden, of hoeven we niet elk jaar met schokken te veranderen.”

De zorgverzekeraars streven dan ook meer naar een stabiele premie dan een lage premie om mee te concurreren. Dat is namelijk gevaarlijk voor de solvabiliteit. Als door een lage premie een verzekeraar meer verzekerden aantrekt, moeten daarvoor ook grotere reserves worden aangehouden voor hun eventuele claims. Zorgverzekeraars hebben berekend dat 1 procent extra zorgkosten kan leiden tot 4 of 5 procent daling in de solvabiliteit.

Groei is dus niet het doel van de zorgverzekeraars. Van der Meeren: „We hoeven niet de grootste te worden, we willen wel groot blijven. Een tikkie groei is goed voor de medewerkers.”

En omgekeerd, een daling van het aantal verzekerden betekent ook dat je minder buffers hoeft aan te houden. VGZ nam vorig jaar bewust afscheid van 400.000 verzekerden bij merken als Promovendum en Besured en dat kan extra reserves opleveren. Van der Meeren: „Wij zijn benieuwd wat ze daarmee gaan doen.”

Hamster geeft al een doelstelling aan: „We willen met 50.000 tot 70.000 verzekerden per jaar groeien. Daarbij richten we ons vooral op ouderen en chronisch zieken. Want juist bij de mensen die meer zorg nodig hebben, kunnen we de meeste voordelen behalen met zinnige zorg.”