Column

Lieve dieren

Zondagmiddag zat ik met een vriend op het terras toen plots mijn telefoon ging. „Mijn paard is ongeneeslijk ziek”, huilde een vriendin aan de andere kant van de lijn, waarop ik mijn spullen pakte om naar haar toe te gaan. Mijn borrelgenoot begreep er niet veel van. Ja, het was natuurlijk verdrietig dat dat paard ziek was, maar om daar nou zo overstuur van te raken? Ik kon daar van alles op zeggen maar wist ook dat deze jongen dankzij astma en een hele rits allergieën zelf nooit huisdieren heeft gehad. We kunnen sinds ik cavia’s heb ook niet meer bij mij thuis afspreken: één stap in mijn woonkamer en hij kan meteen op de wachtlijst voor een longtransplantatie.

Op de fiets naar mijn vriendin besefte ik weer eens hoeveel we om dieren kunnen geven en hoe verlammend het is als een huisdier overlijdt. Ik ben soms nog sip om mijn kat Deedee, die toch alweer zes jaar dood is. Haar lijfje is allang vergaan maar ik weet nog precies waar ze het liefst gekriebeld werd, hoe ze rook, voelde, wat elk mauwtje betekende (althans: ze kwaakte eerder dan dat ze mauwde). Het is lastig om aan hen die nooit een band met een dier hebben gehad, uit te leggen wat het is om zo’n beest te moeten missen. Opeens is je dagelijks ritme ontwricht. Koosnaampjes, stopwoordjes, stemmetjes: ze zijn onbruikbaar geworden.

Maar er speelt nog iets anders mee, dacht ik, toen het huis van mijn vriendin in zicht kwam. We behandelen dieren vaak alsof het onze kinderen zijn. We praten er zelfs op dezelfde toon tegen als die we tegen kleuters aanslaan. Sterker nog: ik ken mensen die hun hond leuker vinden dan hun nageslacht. Dat maakt het nog verdrietiger als een dier sterft: het is alsof een van je kinderen is overleden, alsof een deel van je gezin er niet meer is.

Nadat ik mijn fiets had geparkeerd, zag ik dat ik een paar appjes had gekregen van mijn astmatische vriend: dat hij mijn vriendin sterkte wenste en hoopte dat het paardje niet te veel zou lijden. Dat hij hoopte dat hij niet al te lomp was overgekomen.

Ik was geraakt. En toch benijdde ik hem ook. Hij zal nooit dieren kunnen houden, dus hij hoeft ook niet het verdriet te ervaren als er eentje sterft. Stil belde ik aan, dacht aan de talloze beestjes die ik heb gehouden. Elke troetelnaam ken ik nog, iedere lievelingssnack.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.