Column

Helder

Gezeten aan de tafel waar ik doorgaans schrijf, heb ik zicht op daken en een drietal bomen. Moet ik vaak wel een beetje moeite doen om over een berg op te vouwen was heen te kijken. De bomen zijn nu voorzichtig groen, de lucht is onbesuisd blauw en de daken doen wat zij altijd doen; duiven een plekje om te zitten en te schijten bieden.

Dat het uitzicht elke dag hetzelfde is maar genoeg verandert om niet te vervelen, is prettig. Het credo ‘je huis is een weerspiegeling van je persoonlijkheid’ galmt vaak deerniswekkend door mijn schedelpan. Hoewel ik vermoed dat het eerder een kwestie van gemoedstoestand is. Maanden klom ik door de chaos heen naar boven, naar mijn zolder, om happend naar lucht over de stad uit te kijken, naar mijn daken, mijn bomen en mijn duiven. Door het raampje helemaal bovenin, waar het het lichtst is. „Alles staat er nog”, verzuchtte ik dan. Maar ook vaak „Huh? Alweer herfst?” en „Alweer voorjaar?” en „Alweer die duif?” Want ik heb mijn eigen duif. Hij kijkt al jaren door mijn zolderraam naar binnen. Het is vooral zijn aanwezigheid die geruststelt, want van zijn blik moet ik het niet hebben, die schommelt tussen verward en spottend. ‘Alweer die badjas?’ lijkt zijn terugkerende gedachte te zijn.

Er is iets opruimerigs in mij gevaren. Iets met overzicht en aanpakken

Met de blauwe lucht in aantocht, vrij van wolken, wind en hoosbuien is er iets opruimerigs in mij gevaren. Iets met overzicht en aanpakken. Als een maniak ben ik door mijn woning gegaan om dingen te verplaatsen, weg te smijten, op te pakken en aan te raken. Met een doekje, met sop. Voorjaarsschoonmaak, of zoiets. Vaak heb ik geprobeerd mijn gemoedstoestand te verbeteren door mijn huis op te ruimen, sok voor sok. Maar het overzicht dat nodig is voor dergelijke exercities moet toch echt vanuit de gemoedstoestand zelf komen, want het lukt simpelweg niet als dat gemoed niet meewerkt. Dat gemoed dat doet maar wat.

Maar nu is het mij goed gezind. Ik kijk niet alleen naar mijn daken, mijn bomen, maar kan ik ook in huis rondkijken. Ik zie een plantje, nieuw gekocht en vooralsnog naamloos. Ik twijfel tussen Berry en Mathilde. Hij prijkt op een leeg en glimmend tafelblad naast een kaarsenstandaard waar alle was vanaf gekrabd is en een mintgroen kaarsje in geduwd is dat daadwerkelijk kaarsrecht staat. Wie had gedacht dat ‘kaarsrecht’ iets echts was? Aan het wasrek hangen twee broeken. Niet omdat ik ze niet meer zie, maar omdat ze aan het drogen zijn. De rest van de was ligt op stapels in kasten. Die bleken hier al die tijd aanwezig te zijn geweest. En er blijkt nog meer. Er blijkt hier van alles! Zo blijkt de keuken een prima verzamelplek voor servies. Nu wacht ik al een tijdje fris aangekleed op mijn duif. Vol voorpret. Hij zal in zijn leventje ook zoeken naar zijn ankers. ‘Ha, mijn dak!’, ‘Ha, mijn schoorsteenkap!’, ‘Ha! Mijn verwarde vrouwtje in haar ochtenja- Wacht eens éven! Wie is dát?!’ zal hij denken. En dan zal ik fluisteren „Rustig maar, ik ben het. Maar soms draag ik gestreken kleren.”