Recensie

‘Gurre-Lieder’: theaterervaring als een rampenfilm

Opera De Nationale Opera herneemt de scenische ‘Gurre-Lieder’ uit 2014. De voorstelling is imponerend, maar er is spanning tussen de gespeelde karikaturen en de pompeuze eindtijdsvisioenen.

Sopraan Anna Larsson als Woudduif en tenor Burkhard Fritz als Waldemar in 'Gurre-Lieder' door De Nationale Opera. Foto Marco Borggreve

Schönberg was tegen een enscenering van zijn oratorium Gurre-Lieder. Het duurde een eeuw en één jaar voordat iemand het toch aandurfde: in 2014 bracht De Nationale Opera (DNO), als eerste gezelschap ooit, een scenische Gurre-Lieder op de planken, in een regie van Pierre Audi. Die productie is nu hernomen.

De laatromantische Gurre-Lieder vragen om een reusachtige koor- en orkestbezetting, al hield DNO de kosten beheersbaar door een iets gereduceerde bewerking uit te voeren. Toch overdonderde deze uitvoering op vele fronten. Visueel was het een spektakel, in een steampunk-idioom van vroege cinema en fin de siècle-variété, met een stralende zonsopgang als apotheose. De regie slaagde erin eenheid aan te brengen in de reeks losse tableaus, onder meer door alle personages al vroeg op te voeren. De klankschoonheid was groot.

Chef-dirigent Marc Albrecht, naast Audi de drijvende kracht van het megaproject, liet in deze herneming zijn reuzenorkest dynamisch en responsief spelen, met veel aandacht voor detaillering, vooral in het muzikaal meest gevarieerde en aantrekkelijke derde deel. De stuwende, zinnelijke onderstromen van het wagneriaanse eerste deel lichtte Albrecht fraai uit, alleen wreekte zich hier de troepenmacht: de solisten hadden moeite zich verstaanbaar te maken.

Sowieso bleek het eerste deel dramaturgisch de achilleshiel van de Gurre-Lieder. Hierin zingen koning Waldemar (tenor Burkhard Fritz) en zijn maîtresse Tove (sopraan Catherine Naglestad) over hun gedoemde liefde. In het intrigerende decor van Christof Hetzer, een kruising tussen een gotisch kasteel en een vervallen fabriekshal, bewogen de geliefden wat rond een zelfrijdend industrieel hemelbed. Maar echt knetteren wilde het niet tussen Fritz en Naglestad. Echte handeling ontbrak ook, en door het ontbreken van voorgrondactie zogen filmische details aan de randen de aandacht naar zich toe – figuranten achter verre ramen, een ontbladerend boompje.

Pas toen de Woudduif (toprol van sopraan Anna Larsson) in de gedaante van doodsengel berichtte over de moord op Tove werd de impasse doorbroken en kreeg de onheilszwangere, symbolisch overladen stasis momentum. De tweede helft van de Gurre-Lieder toonde de koortsdroom van de rouwende Waldemar met grootse middelen: een neerzijgend en herrijzend leger, een groteske vis, een neerdalende einde-van-de-wereld-bar en een sektarisch aandoend massakoor met sf-brillen dat de zonsopgang bejubelde.

De uitgebreide rol voor Spreker werd geweldig ingevuld door actrice Sunnyi Melles, die met haar androgyne verschijning en expressieve voordracht zorgde voor lichtvoetige scherpzinnigheid. Ook de nar Klaus (tenor Wolfgang Ablinger-Sperrhacke), een soort maanmannetje met een directeurscomplex, was een schitterend uitgebalanceerde rol. Waldemars rouw leed daarentegen nogal onder overacting, evenals de kluchtige dronkemanshumor van de Bauer (bas-bariton Markus Marquardt). De ongemakkelijke verhouding tussen karikaturen en oppervlakkige psychologie enerzijds en pompeuze eindtijdsvisioenen anderzijds legde een dieper liggende zwakte van de Gurre-Lieder bloot. Een theaterervaring als een rampenfilm: imponerend, meeslepend zelfs, maar als spiegel van de tijdgeest die ze ook pretendeert te zijn gespeend van waarachtigheid.