Foto Frank Ruiter

‘Geloven is zo gek nog niet’

Lunchinterview Yvonne Zonderop (62), journalist, beschrijft in een boek hoe Nederland het christendom bij het vuil zette. „Religie voorziet in zo veel behoeftes, dat het succes bijna vanzelf spreekt.”

Zeggen dat je christen bent, is in sommige kringen taboe. Wie in Nederland boven de 50 is, links, intellectueel en misschien ook nog wel feministisch, gelooft zelden nog in god. En wie dat wel doet, houdt z’n mond erover. Yvonne Zonderop (62) verliet als zeventienjarige „stampvoetend” de katholieke kerk van haar jeugd. Maar na bijna een halve eeuw godloos leven, signaleert ze een comeback van het christendom. Bij zichzelf én in de samenleving. En daar is ze nog blij om ook.

Zij? In de Heere? Dat geloof ik niet. Ze lacht. Het leek haar wel toepasselijk af te spreken in de voormalige Magdalenakapel in Amsterdam-West. Waar tot voor kort katholieken elkaar troffen, zitten wij nu aan een salade. Zij gekleed in een eenvoudige zwarte jurk, gouden sieraden, pratend met een licht Haags accent. Ze was voor de regionale kranten verslaggever over politiek, economie en kunst. Ze werd – als eerste vrouw – adjunct-hoofdredacteur van de Volkskrant. Tegenwoordig is ze toezichthouder bij twee mediabedrijven, ze schrijft regelmatig voor De Groene Amsterdammer en ze zit in de begeleidingscommissie van het Sociaal Cultureel Planbureau.

Net als haar generatiegenoten heeft zij in haar jeugd nog een staartje verzuiling meegekregen. Naar de Pius XII-school, oud papier ophalen voor de missie in Afrika, turnen bij de katholieke gymnastiekvereniging. Haar ouders, allebei na de oorlog opgegroeid in een rooms-katholiek weeshuis in Den Haag, hadden weinig goeds ondervonden van de fraters en nonnen. „Zij associeerden het geloof met de hel op aarde uit hun jeugd. Ze bleven katholiek uit gewoonte. Het hoorde erbij.” Zoals het er ook bij hoorde dat ze eind jaren zestig met het geloof afrekenden en mee-seculariseerden met de rest van Nederland. „Mijn vader, broer en ik slopen tijdens het Agnus Dei de Benedictuskerk uit. Snel naar huis, want Sport in Beeld begon al om half acht.” Meer dan van god werd afscheid genomen van de „naargeestige beklemming” waartoe religie verworden was. De daarop volgende dertig jaar waren kerk, geloof en christendom in Zonderops omgeving geen gespreksonderwerp.

En dan nu dit. Een boek, Ongelofelijk, waarin ze beschrijft hoe ‘we’ het christendom bij het vuilnis hebben gezet. En dat dat heel stom van ons is. Te radicaal hebben we, zegt zij, afscheid genomen van wat 1500 jaar onze cultuur én moraal heeft vormgegeven. „Met het christelijk geloof is er iets belangrijks verloren gegaan.” Wie weet nog waar Pinksteren voor staat? Wie herkent de bijbelse taferelen in het museum? En wie gelooft er nog in verdraagzaamheid, solidariteit en barmhartigheid? Met argumenten omkleed haalt Yvonne Zonderop het vuilnis weer binnen. Geloven, zegt zij, is zo gek nog niet. „Religie voorziet in zoveel menselijke behoeftes, dat het succes bijna vanzelf spreekt.”

Onderdeel van een groter verhaal

Dus, op de vrouw af gevraagd, is Yvonne Zonderop nu in de Heere? Nee, dat niet. Gaat ze zondags weer naar de kerk? Nee. Op hoogtijdagen dan? Ook niet echt. Wat gelooft ze dan? Nou niets. Ze gelooft niet in een god die de mens regeert, niet in de wijzen uit het Oosten die het kindeke Jezus verwelkomden en niet in een Rode Zee die spleet. „Ik geloof wél in de kracht van de verhalen uit het christendom.” Ze noemt zichzelf een cultuurchristen. „Ik was in het Uffizi-museum in Florence. Daar hangt de Annunciatie van Leonardo da Vinci. De engel die Maria de geboorte van Jezus aankondigt. Dat schilderij kwam zo bij me binnen.” Dezelfde ontroering voelde ze bij het lezen van de boeken van Pulitzerprijs-winnaar Marilynne Robinson, die ooit door Barack Obama is geïnterviewd. Ook die boeken zijn gebaseerd op een bijbels thema – dat van de verloren zoon.

Wat gebeurde er? „Het roerde me. Het raakt aan iets wat heel diep zit. Een groter verhaal waarvan ik, zelfs met die oppervlakkig christelijke opvoeding van mij, onderdeel ben.” Maar, en dat vond ze een pijnlijke constatering, haar kinderen (een zoon van 30, een dochter van 27) niet meer. „Dat is mijn schuld. Mijn generatie heeft een generatie grootgebracht zonder christelijke wortels.” Daar heeft ze spijt van. Het boek is opgedragen aan haar katholieke schoonmoeder Gertrude, als dank voor het kleine beetje religie dat zij bij haar thuis bracht. Kinderbijbels en een Mariabeeldje voor Zonderops zoon.

Te lang, zegt Zonderop, hebben we in Nederland het gehad over de negatieve kanten van het geloof. „Over de voordelen is nooit meer gesproken.” Religie geeft een samenleving ook structuur. Het is een anker. „Kijk, mijn moeder en schoonmoeder konden zich niet ontwikkelen. Natuurlijk was het nodig los te breken uit die verstikking. Ik was vrij om te doen wat ik wilde, maar wel staand op een stevige basis. Nu die basis weg is, is het moeilijker om vrij te zijn. Tegen wie of wat moeten twintigers zich nog afzetten? Tegen zichzelf?” Leven zónder god en gebod is niet zo eenvoudig, zegt zij. „Er is een leegte ontstaan en dat wreekt zich. Iedereen is nu de regisseur van z’n eigen leven. Gaat dat mis, dan is het nog je eigen schuld ook.”

Lees ook: ook de column van Carolien Roelants over hoe ‘onze’cultuur wordt belaagd. Niet door moslims, maar door onszelf.

Je ziet Thierry Baudet en Geert Wilders al in hun handen wrijven met deze steun uit onverwachte hoek. Beide politici grijpen ‘onze’ joods-christelijke geschiedenis aan en zeggen dat we die verkwanselen waardoor de islam ‘onze’ cultuur verdringt. Is ze niet bang in een politiek kamp getrokken te worden? Ze zit in niemands kamp, zegt ze heel beslist. „Juist omdat geloof voor ons zo lang een no-go-area was, hebben we populisten de gelegenheid gegeven het onderwerp te kapen.” De christelijke cultuur wordt niet door de islam bedreigd, zegt zij. „Die hebben we zelf weggesmeten.”

Aan de haal met de erfenis

Van oorsprong is het christendom een geloof van tolerantie, zegt zij. „Er zijn in de loop der eeuwen zo veel varianten van ontstaan, dat je er alle kanten mee op kan.” Het is een monotheïstische godsdienst, maar aanbidt een drie-in-een god (vader, zoon, heilige geest). Het is gebaseerd op één bijbelboek, dat uit vijf delen bestaat. „Net als de islam is het christendom voor iedereen toegankelijk, ongeacht afkomst of volk.” Het punt is, zegt zij, dat we niet meer normaal over geloof kunnen praten. „Wij zijn totaal de kluts kwijtgeraakt, en ondertussen gingen kwaadwillenden aan de haal met de erfenis. Ik zeg: ho, ho, dit is ook mijn erfenis. Die claim ik terug.”

Leven zónder god en gebod is niet zo eenvoudig

Van afwijzend, via ongeïnteresseerd, is haar houding veranderd in onderzoekend, zegt ze. „Ik wilde er het mijne van weten.” Ze ging op bijbelles, weliswaar bij een dominee, maar niet zo’n heel strenge. „Zie je bijbelteksten als een soort oerliteratuur, dan lees je heel wat anders.” Religie of geloof gaat niet over vis op vrijdag en op zondag naar de kerk en of je eigenlijk wel gelooft dat Christus opstond uit de dood. „Het gaat over naastenliefde, compassie, solidariteit. Over gelijkwaardigheid, schuld en vergeving.” Voor dat soort „diepmenselijke” noties is geen plek meer. „En dat vind ik een gemis.”

Ze ziet dat anderen dat ook een gemis vinden. Leeftijdgenoten, die soms eerst hun heil zochten in boeddhisme, politieke ideologieën of mindfulness. Maar juist ook twintigers, die nooit last hebben gehad van het „trauma van de verzuiling” en behoefte én belangstelling hebben voor iets dat groter is dan zijzelf. Niet dat de kerken ineens volstromen, die tijd lijkt voorbij. Juist buiten de kerk om ontstaan er initiatieven waaruit zij opmaakt dat de belangstelling voor het christendom groeiende is. Ze noemt het pioniers, en het zijn er ook nog niet heel veel, maar de nieuwe christen bestaat en roert zich. Van de ‘ontmoetingskerk’ op de Amsterdamse Zuid-As tot de diensten van de evangelische beweging van de Hillsong Kerk in de Rotterdamse graansilo en Den Haag. Initiatieven die sociaal en kosmopolitisch zijn, en ook aantrekkingskracht hebben op twintigers en migranten.

Lees hier een introductiecollege van Birgit Meyer, hoogleraar Religiewetenschap. Zij zegt dat ontkerkelijking niet het einde van religie hoeft te betekenen

„Ik ben van optimist veranderd in iemand die hoopt.” En het verschil is? „Een optimist denkt dat het goed komt. Wie hoopt, erkent dat de zekerheid er niet is.” Hoopt ze op een herleving van het christendom? Misschien wel. Hoe dan? Moet elk kind bij geboorte een bijbel krijgen? Nemen we de bijbel op in de literaire canon? Godsdienstles op school? „Lijkt me een prima idee, om kinderen weer bij te brengen wat geloof betekent. Maar ik ben niet op missie hè. Ik ben vrijwillig de grens tussen ongeloof en geloof overgestoken om te onderzoeken wat religie nou eigenlijk behelst en wat de goede kanten ervan zijn. Vraag je: hoe geef je dat door? Nou, niet door erover te zwijgen. Mijn bijdrage is: het raam openzetten. Eerlijk gezegd vind ik dat al heel wat.”

    • Rinskje Koelewijn