Column

Theunissen

Ik was naar een begrafenis in Didam. Van de trein naar de kerk was het tien minuten. Ik passeerde een frisse slagerij met aan de gevel een lichtbak met de naam Theunissen. Ik keek naar binnen en, plop, daar was mijn verdrongen handbalverleden. Ik kon helemaal niet handballen, maar speelde toch een paar jaar mee bij de junioren van de Velpse Handbal Vereniging Olympia, kortweg VHVO. Onze coach uit Velp-Zuid, ‘Ome Toon’, rookte Caballero zonder filter en zag de minder getalenteerden als noodzakelijk kwaad. Als vulsel voor de bank.

Er was er maar één die nog slechter was dan ik. Twee koppen groter, maar behept met een motoriek waardoor hij geen bal kon vangen, het was heel gemeen van zijn ouders dat ze hem uitgerekend op handbal hadden gedaan. Hoeveel uren zaten we niet zwijgend naast elkaar op de bank bij al die schijtwedstrijden in Duiven, Westervoort en Heteren? Als er dan eindelijk gewisseld werd hoopten we allebei dat de ander erin moest. Van hem herinner ik me in wedstrijdverband maar één actie: dat hij een tegendoelpunt voorkwam doordat hij een bal in het gezicht kreeg en dat we na afloop net zo lang „Goed gedaan, Theunissen!” tegen hem zeiden tot hij ervan glunderde.

Ik liep die slagerij binnen.

Het bloed zat nu niet op zijn gezicht, maar aan zijn handen. Hij was in stukken vlees aan het hakken. Ik riep hem bij zijn achternaam, zo van „Hee Theunissen!”

Hij riep iets terug als „Hee, kiek nou dan, Roelofs! Wat brengt jou dan hier?”

Ik zei dat ik geen Roelofs heet en dat ik er was voor een begrafenis. Hij begon meteen over zichzelf en zei dat zijn broer, die we ‘grote Theunissen’ noemden, de slagerij van zijn ouders in Velp had overgenomen en dat hij de familie-eer hooghield in Didam, hetgeen een schot in de roos was gebleken want qua vleeseten waren ze in Didam veel verder dan in Velp.

„Ik denk serieus dat hier nul vegetariërs wonen.”

Daarna: „En niet één, maar ieder drie slavinken bij de stamppot.”

Na afloop van de begrafenis stond ik weer voor die slagerij.

Hij stond een klant te helpen.

Toen hij me zag riep hij: „Zie je dat, Roelofs? Weer een vleesschotel!”

Ja, ik zag het.

Aandrang om nog een keer naar binnen te gaan had ik niet. Ik was weer even die jongen van toen en stak mijn duim op.

„Goed zo, Theunissen!”

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.