Tegen de klippen op de slachtoffers eren

Israëlische onafhankelijkheidsdag

Een groep Israëliërs en Palestijnen herdenkt gezamenlijk slachtoffers van het conflict. In beide samenlevingen zijn ze ‘verraders’.

Foto Tomer Neuberg

„Niemand kan een ander vertellen hoe hij moet rouwen”, zegt de Israëlische schrijver David Grossman dinsdag op een rouwbijeenkomst in een park in Tel Aviv. In 2006 verloor Grossmann zijn zoon Uri in de Israëlisch-Libanese Oorlog.

Aan de vooravond van de Israëlische onafhankelijkheidsdag, die deze donderdag wordt gevierd, herdenkt het land op veel plekken zijn slachtoffers van oorlog en terreur. Maar de bijeenkomst waar Grossmann spreekt, is anders dan alle andere. Grossmann herdenkt zijn zoon niet alleen met andere Israëliërs, maar ook samen met Palestijnse lotgenoten die dierbaren hebben verloren. Met zo’n 6.800 bezoekers bereikt de ceremonie, die al sinds 2006 wordt georganiseerd, dit jaar een recordaantal mensen.

Tegelijkertijd is de politieke omgeving vijandiger dan ooit. Burgemeester Barkat van Jeruzalem probeerde afgelopen week – tevergeefs – via een kort geding een bijeenkomst van de groep te verbieden, geen enkele zaal in Tel Aviv wenste de herdenkingsceremonie te faciliteren en minister Lieberman (Defensie, Yisrael Beitenu) weigerde Palestijnse deelnemers toegang tot Israël te verlenen.

Waar vorig jaar nog veiligheidsoverwegingen voor een soortgelijke weigering werden aangevoerd, noemde Lieberman de bijeenkomst nu in de media een „toonbeeld van slechte smaak” en „aanstootgevend voor nabestaanden”. De minister werd op het laatste moment teruggefloten door het Hooggerechtshof, dat in zijn uitspraak stelde dat Lieberman met het verbod juist de gevoelens en wensen van deze groep nabestaanden „compleet had genegeerd”.

Dezelfde harten

Op het podium wisselen Israëlische en Palestijnse sprekers elkaar af. Jihad Zarayer uit het Palestijnse Bethlehem vertelt over zijn zoon Alaa, die op zijn 21ste werd gedood door Israëlische kogels. „Ik was eerst heel boos en vol haat”, zegt hij. Toch besloot hij na lang aarzelen om mee te doen aan de gezamenlijke bijeenkomsten. „Ongeacht onze achtergrond hebben we dezelfde gevoelens, dezelfde harten. De bezetting vernietigt de levens van ons allemaal.”

De rijen plastic witte stoelen op het grasveld zijn allemaal gevuld, honderden mensen kijken staand toe. Ori Aphek slaat een arm om zijn zus, die staat te snikken bij een muzikaal optreden. „Iedereen kent wel iemand die is omgekomen”, zegt hij.

Voor de toehoorders geven de getuigenissen een sprankje hoop op het doorbreken van de cirkel van geweld. „En ook al is er weinig hoop, de nabestaanden verdienen onze steun”, zegt Aphek.

„Mijn vader was superpapa”, vertelt Dana Wegman, die toekijkt. „Hij was knap, iedereen vond hem aardig, hij was mijn rots in de branding. Toen hij in 2002 werd gedood bij een aanslag in een restaurant, waren we zo bang dat we Israël ontvluchtten.”

Deelname vergt niet alleen moed om een persoonlijke en pijnlijke ervaring te delen met duizenden mensen, maar ook om de reacties van buitenstaanders te trotseren. Een van de spreeksters verloor haar vader bij dezelfde aanslag waarbij Wegmans vader omkwam. „Maar ik ga niet op dat podium staan”, zegt Wegman. „Dat zou mijn werk als lerares te lastig maken. Mensen die het niet begrijpen, zien ons als verraders.”

Hoewel op de bijeenkomst in Tel Aviv Israëliërs en Palestijnen vredig met elkaar optrekken, is het elders in het land behoorlijk onrustig.

Toeters en megafoons

Vanachter het hek, op afstand gehouden door onder meer politie te paard, maken tientallen demonstranten duidelijk hoe zij erover denken. Ze doen hun best de sprekers te overstemmen met toeters en megafoons, zwaaien met Israëlische vlaggen en maken het publiek uit voor landverraders en terroristenvrienden. De bus met Palestijnse deelnemers heeft tot drie keer toe een andere locatie moeten zoeken om hen veilig te kunnen laten uitstappen, vertelt Mufida Qabaji, een Palestijnse die met haar dochter uit Hebron is gekomen. Ze kwamen net op tijd aan.

Aan Palestijnse kant is de tegenstand zo mogelijk nog groter. Veel Palestijnen zien elke omgang met Israëliërs als ongewenste „normalisatie” van de relaties met de bezettende macht. „Toen ik zeven jaar geleden bijeenkomsten begon te bezoeken, zeiden kennissen dat we ons maar moesten laten afmaken of neerschieten”, vertelt Qabaji. Ze geeft toe dat ze zelf in eerste instantie ook wantrouwend was. „We kenden Israëliërs alleen maar met geweren.” Nu neemt Qabaji mensen mee naar gezamenlijke activiteiten. Ze snelt achter de rest van de groep aan naar de bus; ze moeten vanavond weer terug zijn op de Westelijke Jordaanoever voordat de checkpoints sluiten vanwege de Israëlische onafhankelijkheidsvieringen.

Nabestaanden noemen de groep van Israëlische en Palestijnse lotgenoten die elkaars pijn delen hun nieuwe „thuis”. Dat geldt ook voor Wegman, die na jaren in het buitenland besloot om terug te keren naar Israël. „Ik leerde beetje bij beetje mijn angst te overwinnen.” Nu organiseert ze gemengde kampen voor Israëlische en Palestijnse jongeren, waar ze hetzelfde ziet gebeuren: ze komen met angst binnen en gaan met meer hoop naar huis.

Ze hebben geen gemakkelijke weg gekozen, stelt schrijver David Grossman in zijn slotwoord. „Na zeventig jaar is Israël misschien een fort, maar nog geen thuis”. Het levert hem een staande ovatie op. Bij de uitgang proberen demonstranten vertrekkende automobilisten de doorgang te verhinderen. De politie kijkt toe.

Correctie (19-4-2018): In een eerdere versie van dit stuk stond de naam Dana Wigman. Dat moest Dana Wegman zijn. Hierboven is dat aangepast.