In stooktijd blijven de ramen dicht

Luchtverontreiniging Gemeenten praten deze week over overlast en schade door houtstook. Op bezoek bij een bezorgde wetenschapper en een verkoper van haardhout.

Dieter Pientka meet vanuit zijn tuin in het Zeeuwse ’s-Gravenpolder de luchtkwaliteit. Houtrook verslechtert die. Foto’s Daniël Niessen

Dieter Pientka heeft onlangs een nieuwe brievenbus opgehangen. De vorige, een klep bij de voordeur, is dichtgeplakt met dikke stroken plakband. Het was noodzaak. „Verderop zit een aantal zware stokers. Als de wind uit het noordoosten waait, duwt die de vuile lucht zo mijn huis binnen.”

Zijn huis staat in een rustige woonwijk aan de rand van ’s-Gravenpolder, een Zeeuws dorp met een kleine 4.600 inwoners. De laatste jaren zijn steeds meer mensen in de buurt op hout gaan stoken, vertelt de 51-jarige Pientka. In een straal van 150 meter rond zijn woning zijn het er nu ongeveer vijftien, schat hij. Van wie de helft toch zeker dagelijks stookt.

Pientka noemt zichzelf citizen scientist. Hij studeerde organische chemie en raakte vanuit zijn vakgebied geïnteresseerd in luchtkwaliteit. Eerst had hij een weerstationnetje in zijn achtertuin, een jaar of drie geleden plaatste hij ook fijnstofsensoren. Want mensen konden wel beweren dat de lucht in Zeeland zo schoon is, Pientka wilde dat toch zien.

De apparatuur kostte alles bij elkaar zo’n 1.000 euro – een schijntje vergeleken met de spullen die ze bij professionele instituten gebruiken. Pientka’s sensor is uitgerust met een laser. Hij zit in een zwart koffertje en is gekoppeld aan een minicomputer die de metingen in data omzet en via een LAN-kabel naar een webserver stuurt. Pientka slaat alles op in een database: „Denk aan een groot Excelbestand.” Via een speciaal portaal voor burgerwetenschappers deelt hij zijn ‘open data’ met het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Opvallende metingen zet hij op Twitter.

Laatst met de paasvuren is hij zich bijvoorbeeld een hoedje geschrokken. Pientka klapt zijn laptop open en pakt de grafiek van zondag 1 en maandag 2 april erbij, met metingen uit zijn eigen woonplaats, Apeldoorn, Purmerend en Zutphen. „Het begint in Duitsland, je ziet pieken in Apeldoorn en Zutphen, en even later in ’s-Gravenpolder. De volgende dag komen de Nederlandse vuren en gaat het helemaal los.”

In Apeldoorn, zo toont de grafiek, bereikt de concentratie PM2.5 – het fijnere soort fijnstof – aan het eind van de ochtend een waarde van 180 microgram per kubieke meter. „Echt sky high”, zegt Pientka. „De Wereldgezondheidsorganisatie hanteert een dagnorm van 25 microgram per kubieke meter. Tijdens de paasvuren zaten we daar twee dagen non-stop boven. Deze lucht is echt héél ongezond geweest.”

Mondkapje

Zijn leven wordt „een beetje beheerst” door houtrook, zegt Pientka. Wil hij zijn huis luchten, dan gaat hij eerst naar buiten om te ruiken, checkt hij de windrichting en zijn sensoren. Als de wind uit het zuidwesten komt, valt het mee. Maar in het stookseizoen – „ongeveer van eind september tot begin mei” – kunnen de ramen vaak pas na 23.00 uur open. Op slechte dagen, als het windstil of mistig is, blijven de mechanische ventilatieroosters dicht. Soms draagt hij een mondkapje.

Pientka is niet de enige die zich zorgen maakt over de luchtkwaliteit in Nederland. Milieu- en gezondheidsorganisaties waarschuwen al jaren voor de toenemende overlast en schade door houtstook, het onderwerp stond in vrijwel iedere gemeenteraad wel eens op de agenda. Donderdag vergadert de milieucommissie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) over het probleem. Aanleiding is een brief die het Platform Houtrook en Gezondheid in maart aan staatssecretaris Stientje van Veldhoven (Infrastructuur en Waterstaat, D66) stuurde, waarin gepleit wordt voor ontmoedigingsbeleid.

Het Platform – 23 partijen waaronder enkele gemeenten, GGD’s, het RIVM en het Longfonds – noemt in z’n brief vijftien mogelijke oplossingen. Bijvoorbeeld het instellen van een stookalarm bij windstil weer en een bijbehorend verbod voor dichtbevolkte gebieden. Dat laatste is lastig te realiseren, zo bleek in 2014 toen wethouders van de vier grote steden bij de overheid aandrongen op maatregelen. De overlast en uitstoot van fijnstof kan zó lokaal zijn dat die niet goed te meten en dus te handhaven is. Daarvoor is een uitgebreid – en duur – meetmodel nodig, en dat is er nog niet. En dan is er nog het draagvlak: lang niet iedereen ziet de noodzaak van een verbod in.

Hans Timmerman (59) uit Goes zou de gevolgen van zo’n verbod zeker merken. Als begeleider bij stadsboerderij Kom Us Kieke, een werkplek voor mensen met een verstandelijke beperking, is hij vrijwel dagelijks met hout bezig. „Het verwerken en verkopen van hout is een van onze belangrijkste activiteiten”, zegt Timmerman. Hij heeft zijn zaagmachine net uitgezet, zaagsel plakt aan zijn paarse fleecevest.

Aan de voorkant van de stadsboerderij, langs de weg, staat een groot bord met daarop „Te koop: haardhout”. Aan de achterkant liggen op het erf boomstronken en -stammen. De boerderij krijgt die van de gemeente, na een storm bijvoorbeeld, of koopt hout bij telers uit de buurt. Er is net een partij fruitstammetjes binnengekomen, zegt Timmerman. „Daar is veel vraag naar, het brandt mooi.” Het haardhout wordt verkocht in vierkante bakken waar een vaste kuub in past. Zo’n bak met fruitbomenhout kost 55 euro. „Mensen betalen het er graag voor.”

Foto’s Daniël Niessen
Foto’s Daniël Niessen
Dieter Pientka meet vanuit zijn tuin in het Zeeuwse ’s-Gravenpolder de luchtkwaliteit. Houtrook verslechtert die.
Foto’s Daniël Niessen

Lijm en verfresten

Als hij zelf stookt, houdt hij altijd rekening met de weersomstandigheden. En hij heeft een goede houtkachel: „Wat ik wegbreng aan as, stelt haast niets voor.” Stoken is volgens Timmerman vooral een kwestie van gezond verstand. Het moet kunnen, maar je moet wel weten waar je mee bezig bent. Hij zag mensen eens oude kozijnen verbranden. „Die hadden geen idee. Dan verbrand je lijm en verfresten. Puur vergif.” Meer voorlichting vindt hij een goed idee, een verbod overdreven. „Als een boom omvalt in het bos en hij gaat rotten, komt er net zoveel uitstoot vrij.”

Een paar kilometer verderop in ’s-Gravenpolder pleit Dieter Pientka hartstochtelijk vóór een stookverbod. De huidige regelgeving beschermt de stoker, dat is volgens hem de omgekeerde wereld. „Burgers hebben recht op schone en gezonde lucht in en rond hun woning. Ik vind dat we van de overheid mogen verwachten dat zij dit recht waarborgt.”

Zolang er geen regels zijn, zal hij stokers blijven aanspreken op overlast. Het is een gevoelig onderwerp, weet Pientka, vandaar dat hij ook vaak namens zijn buren spreekt en zich inzet als vrijwilliger voor Stichting Houtrookvrij en het Platform Houtrook en Gezondheid. „Het is lastig om te zeggen: ik heb last van jou. Zodra je begint over iemands houtkachel, merk je dat het een behoorlijk emotioneel gesprek kan worden. Het is dan toch alsof je diegene een beetje op zijn ziel trapt.”

    • Anne-Martijn van der Kaaden