‘Ik zal nooit een man worden, maar ik dirigeer wel’

Klassiek Karina Canellakis (31) en Elim Chan (30) zijn dirigent, en, o ja, ook vrouw in een mannenwereld. Chan is de zesde vrouw die het Concertgebouworkest dirigeert sinds de oprichting dit jaar 130 jaar geleden.

Willeke Machiels

Klein en tenger, maar ook krachtig en bloedserieus. Het was een feestje om in 2014 te bekijken hoe Elim Chan (Hongkong, 1986) de onverwachte winnaar werd van de belangrijke Donatella Flick Conducting Competition voor jonge dirigenten. „De relatie tussen iemands fysiek en de klank blijft iets mysterieus hè”, lacht ze in de skylounge van een hotel, gekozen om het uitzicht over Amsterdam.

„Ken je dat verhaal over dirigent Von Karajan die de repetitieruimte binnenkwam, waarop het orkest subiet van klank verschoot? Toen ik zelf met dirigeren begon dacht ik; ik ben petite, dus ik moet ter compensatie met grote gebaren dirigeren. Maar daar kreeg ik pijn van en ik ontdekte bovendien dat als ik stevig sta, schouders open, die volle klank ook wel komt. Kijk maar naar Bernard Haitink: hij kan zijn armen slap laten vallen en dan nog de diepste klank denkbaar oogsten. Maar uithoudingsvermogen en kracht zijn wel belangrijk. Ik heb een tijdje gebokst. Nu doe ik aan yoga en fietsen. Je moet je eigen lichaamstaal leren spreken om hem goed te kunnen inzetten.”

Volgende week debuteert Elim Chan voor het Koninklijk Concertgebouworkest. Ze dirigeert het jaarlijkse Koningsdagconcert, waarbij dit jaar wordt samengewerkt met popartieste Kovacs en de pianobroers Jussen. Chan is ‘hot’: na assistentschappen in Londen en Los Angeles gaat ze komend seizoen een chefschap in de luwte (bij de NorrlandsOperan in Zweden) combineren met een vast gastdirigentschap van het Royal Scottish National Orchestra. Daarnaast staan debuten bij verschillende orkesten op stapel. Maar de eerste keer voor het Concertgebouworkest heeft extra betekenis, want Amsterdam is ‘thuis’. Sinds kort woont ze er samen met de Nederlandse slagwerker Dominique Vleeshouwers. „In vergelijking met Londen is het hier heel rustig”, zegt Chan met een armgebaar naar het uitzicht. „Omdat mijn leven hectisch is en ik sowieso maar een week per maand thuis ben, vind ik dat heel prettig.”

Zweten

Bij het Concertgebouworkest zijn vrouwelijke dirigenten nog een uitzondering. Elim Chan is deze week de zesde vrouw die voor het orkest staat in 130 jaar na, Juliette Folville (1890), Catharina van Rennes (1905) Marin Alsop (2006), Susanna Mälkki (2008, 2010 en 2012) en Xian Zhang (2010 en 2014) gingen haar voor.

Mannen met kritiek? Canellakis: ‘Joh, dat zijn mannen van een uitstervende generatie’

Buiten het orkest rammelt de verandering harder aan de poort: in het Concertgebouw staan komend seizoen vrouwelijke dirigenten (en componisten) expliciet centraal in de programmering. In TivoliVredenburg leidde vorige week Mirga Grazinyté-Tyla met groot succes het City of Birmingham Symphony Orchestra; zij is daar als chef de opvolger van grootheden als Sir Simon Rattle en Andris Nelsons. En dan is er nog de Amerikaanse Karina Canellakis, oud-assistente van Jaap van Zweden, volgend jaar te beluisteren bij het Rotterdams Philharmonisch Orkest.

„Wacht maar af”, zegt Canellakis vanuit Hilversum, waar ze eerder deze maand succesvol het Radio Filharmonisch Orkest dirigeerde. „Over twintig jaar zullen er vrouwelijke dirigenten zijn die net zo wereldberoemd zijn als Rattle en Nelsons nu. Ik durf zelfs te beweren dat ik ze al ken, maar ze zijn nu nog jong en aanstormend. En er is ook nog nét een oudere generatie actief die moeite heeft met ons. Maar uiteindelijk is de muziek groter dan wij, en al helemaal groter dan ons man- of vrouw-zijn. Ik ben ik. Ik zal nooit een man worden, noch er op één lijken. Maar ik dirigeer wel.”

De oudere dirigenten aan wie Canellakis refereert, zijn niet de minsten: Mariss Jansons, oud-chef van het Concertgebouworkest, bekende recentelijk „niet veel op te hebben” met vrouwen op de bok. En de legendarische pedagoog Jorma Panula vindt dat vrouwen zich beter maar niet kunnen wagen aan Bruckner (gaan ze van zweten).

Canellakis moet er smakelijk om lachen. „Joh, dat zijn mannen van een uitstervende generatie, zij groeiden op toen de Wiener Philharmoniker óók nog alleen mannen waren. Maar ik denk dat het goed is dat de ontwikkeling geleidelijk gaat, en niet vanuit een ‘revolutie’. Als je gelooft dat mannen en vrouwen gelijkwaardig zijn, is het immers gewoon de natuurlijke gang van zaken dat vrouwen ook dirigeren.”

Elim Chan: „Ik denk wel dat het snel zal gaan: ‘vervrouwelijking’ is in veel beroepen – orkestmusici, artsen, politici, dirigenten – volop aan de gang. Eerlijk gezegd verheug ik me er dan vooral op dat geslacht geen issue meer is, net zo min als je er nu een pianist of violist naar zou vragen. Dan telt alleen nog de kwaliteit. En kunnen we het weer over de inhoud hebben.”

Buiten spelen

Het perfectionisme van de voorhoedelopers Chan en Canellakis is opvallend. Beiden zijn serieus en compromisloos. Beiden begonnen heel jong. Beiden spreken zinnen uit als „vier uur muziek studeren per dag was bij ons thuis doodgewoon” (Canellakis) of „middelmatigheid was geen optie” (Chan) – zonder excuuslachje.

Chan: „De mentaliteit was dat je áls je iets doet, je het goed doet. Maar ik groeide op in Hongkong. De Britse mentaliteit heeft daar het Chinese arbeidsethos versoepeld. Het was niet zo dat ik geen eten kreeg of niet naar bed mocht als ik niet had gestudeerd.”

Chans vader is een „muziekminnende kunstschilder”. Als kind begon ze met piano en zingen in een kinderkoor. „Vooral dat koor was vormend”, zegt ze. „Als je een frase zingt, hoor je vanzelf wat natuurlijk is, hoe de expressie hoort te zijn.” Toen ze twaalf was, werd ze gevraagd de leiding over het meisjeskoor over te nemen. „Mijn gevoel was: waarom ik? Veel zangers waren zelfs ouder dan ik. Maar ik hield van de muziek, dus ik dacht: als ik weet wat ik doe, moet het gaan. En zo ging het ook. Het voelde natuurlijk en prettig de leiding te nemen. Later heb ik nog wel getwijfeld. Ben ik goed genoeg? Als vrouw? Iedereen raadde me het af. Maar steeds kwam ik terug bij mijn eigen gedrevenheid, en dan wist ik: ik ga tóch door.”

Canellakis groeide op tussen musici. Haar vader is dirigent, moeder pianiste, broer cellist. „De omgeving was niet dwingend, wel realistisch-ondersteunend”, zegt ze. „Mijn ouders weten hoeveel je moet studeren om iets te bereiken en zagen erop toe dat we dat deden. Maar dan nog blijft er tijd over voor sport, buiten spelen, musea en concerten. En dat ervaar ik nog zo. Er is leven buiten de muziek, we blijven mensen. Mozart was ook dol op pret maken. Maar je moet wel alles plannen.”

Kansen

Chan studeerde in de VS aan het ‘liberal arts college’ Smith. „Een spons” noemt ze zichzelf in die jaren. „Maar dirigeren leer je uiteindelijk in de praktijk. Mijn assistentschap bij het London Symphony Orchestra was wat dat betreft de ideale leerschool: ik zag geweldige dirigenten aan het werk en alle theoretische schakels vonden hun plek.”

Met een korte lach: „En vervolgens sta je dan voor het Concertgebouworkest en dan gaat het er totaal niet meer om de noten netjes onder elkaar te krijgen. Zo’n orkest is een Ferrari; die zoeft vanzelf wel. Maar waar naartoe? Dat mag ik bepalen. En dat is extreem opwindend.”

Canellakis kreeg haar „big break” als assistent van Jaap van Zweden in Dallas. Zij had er al een carrière opzitten: net als Van Zweden begon ze als violiste, onder andere in de academie van de Berliner Philharmoniker. „Het switchen naar dirigeren was de moeilijkste beslissing van mijn leven”, zegt ze. „Ik was gelukkig als violist, volkomen met mijn instrument vergroeid. Stoppen leek gestoord. Hoogmoedig, ook. Maar dirigenten Van Zweden, Fabio Luisi en Simon Rattle zeiden allen: ga ervoor! Dat heeft de doorslag gegeven. En ze hadden gelijk, dirigeren is de meest natuurlijke manier van muziek maken voor me. Het geeft me meer vrijheid dan de viool, is nog fysieker en ontsluit een veel breder repertoire. Alleen het zelf klank kunnen maken, dat mis ik soms – al reist mijn viool nog altijd overal met me mee. Soms, als ik een orkest vertrouw en de musici mij, heb ik het gevoel even terug. Dan maak ik klank door hen en met hen. Dat is het mooiste wat er is.”

Hoe je dat Ferrari-gevoel bereikt is een kwestie van learning on the job. Canellakis: „Ik wil met mijn gebaren en mimiek kunnen laten zien wat ik wil horen. Woorden zijn een tweederangs uitdrukkingsmiddel. Ik zing wel veel voor. En ik luister naar advies. Ik ben 31, de meeste orkestmusici zijn veel ervarener. En nee, dat heeft niks met bescheidenheid, laat staan vrouwelijkheid te maken. Haitink zou het net zo zeggen. En natuurlijk ben ik uiteindelijk ook overtuigd van mijn eigen interpretatie, en zal ik daar als dirigent compromisloos voor gaan.”

Chan: „Daar komt bij dat wij de eerste generatie dirigenten in het YouTube-tijdperk zijn. We kunnen onze ideeën extreem gemakkelijk scherpen aan een zee van interpretaties op internet. Ah, Szell deed dit, Gergjev dat, en bij Haitink duurt het een minuut langer. Waarom? Staat dat er? Vind ik het mooi? En uiteindelijk schud je alles af, en doet je eigen ding.”

Canellakis: „Informatieoverdaad is lekker. Maar dat betekent niet dat ik me een lagere standaard mag aanmeten voor mijn eigen actieve kennis. Ik wil alles weten, alle denkbare verwantschappen tussen Beethovens sonates, strijkkwartetten en symfonieën kennen en begrijpen wat ze betekenen. Daarom ben ik ontzettend streng voor mezelf, en heel alert op alles wat ik níét weet. Dat is mijn leven. Mijn fascinatie voor muziek en honger naar kennis sturen alles.”

Kon. Concertgebouworkest o.l.v. Elim Chan: 26/4 Concertgebouw A’dam, 21.00 uur (Dit is een besloten concert, speciaal voor Amsterdamse leraren). Chan en Canellakis staan in 2019 voor het Rotterdams Philharmonisch Orkest.
    • Mischa Spel