De roze olifant in de kamer

Ewoud Sanders

Alom wordt verwacht dat Alexander Pechtold de komende regeerperiode het veld zal ruimen als D66-leider. Afgelopen weekend schreef NRC hierover: „Het is de roze olifant in de kamer bij D66: de opvolging van Pechtold.”

Hier worden twee zegswijzen gecombineerd die elkaar tegengespreken. Want een roze olifant zien betekent ‘dingen zien die er niet zijn, hallucineren’. En de olifant in de kamer wordt gebruikt voor ‘een probleem dat overduidelijk aanwezig is, maar waarover niet gesproken wordt’.

In beide gevallen gaat het om een vertaling van een Engelse uitdrukking. Seeing a pink elephant wordt sinds 1900 in het Engels gebruikt en sinds de jaren vijftig in het Nederlands. Je zag dit dier als je stomdronken was of een delirium had, zo meende men. The elephant in the room is in 1935 in het Engels opgetekend en wordt sinds de jaren tachtig in het Nederlands gebruikt. Overigens komt deze contaminatie vaker voor, ook in het (informele) Engels. De roze olifant in de kamer wordt opgevat als een versterking: een olifant is al niet over het hoofd te zien, laat staan een roze exemplaar.

Lubberiaans. In de zojuist verschenen Persoonlijke herinneringen zegt Ruud Lubbers over zijn versluierende taalgebruik, waarvoor het woord Lubberiaans ontstond: „Bij cricket is het cruciaal dat de bal niet afgevangen wordt. In de politiek gaat het erom dat je zo ouwehoert dat je geen kleur hoeft te bekennen als dat niet het grotere belang dient. Lubberiaans is de politieke vorm van defensief cricket spelen. […] Ik heb altijd gezegd: je moet weten, het is functioneel. Want ja, ik doe dat heel erg bewust.”

Zou dat echt waar zijn? Lubbers’ herinneringen werden opgetekend door Hannah Aukes. Deze krant vroeg haar of zij Lubbers altijd begreep. Haar antwoord: „Dat Lubberiaans was strategie. Als hij over zijn ouders sprak was hij compleet helder. Maar als de onderwerpen lastiger werden, merkte ik dat hij zinnen door elkaar ging draaien. Ik heb er leesbaar Lubberiaans van gemaakt.”

Ik begrijp hieruit: soms sprak Lubbers bewust Lubberiaans, soms onbewust.

Hummus. Ik ken een vrouw die papier-maché uitspreekt als pa-pjee masjee. Ik moet daar altijd om lachen, want alle andere mensen die ik ken spreken papier hier gewoon op z’n Nederlands uit. Haar reactie: „Ik krijg dat niet uit m’n strot. Zo heb ik dat van mijn moeder geleerd.”

Vasthouden aan de niet-algemene uitspraak van een woord, al dan niet uit deftigheid, heb ik altijd een beetje halsstarrig gevonden, maar onlangs bleek dat ik het zelf ook doe.

Ik eet graag hummus. In mijn vaste supermarkt pak ik dat zo van de schappen, maar elders moet ik soms vragen: „Waar staat de verse hummus?”

Ik weet niet beter of je zegt: goe-moes. Bij het supermarktpersoneel levert die uitspraak steevast holle blikken op. Toch kan ik me er maar niet toe zetten om meteen hoe-moes te zeggen, hoewel dat gangbaarder is. In de meeste supermarkten blijven ze dan overigens glazig kijken; ze begrijpen me pas als ik mijn uitspraak voor de derde maal aanpas. „Ah, u zoekt de hum-mes.”

In de Dikke Van Dale ontbreekt de uitspraak goe-moes. Heb ik het dan al die jaren verkeerd gezegd? Nee, een onderzoekje leerde me dat veel mensen hummus net zo uitspreken als ik. Maar ik ga proberen het af te leren, want het begint potsierlijk te worden.

schrijft elke week over taal. Twitter: @ewoudsanders