Opinie

    • Peter de Bruijn

Wat een film rijp voor het museum maakt

Peter de Bruijn Videokunst schurkt soms dicht tegen film aan. Er kunnen praktische redenen zijn om een werk niet in een bioscoop te laten zien, maar een scherpe scheidslijn is er niet. Filmmaker Paul Schrader bedacht een interessant model.

Waarom belandt het werk van de ene kunstenaar in de bioscoop en van de andere in een museumzaal? Dat is niet altijd meteen duidelijk. In Filmmuseum Eye is momenteel een tentoonstelling te zien van drie videokunstenaars die dicht tegen film aanschurken: de Duitse Hito Steyerl, de Chinese filmmaker Wang Bing en de Brit Ben Rivers. Er kunnen heel praktische redenen zijn om een werk op een expositie te tonen en niet in een filmzaal. Crude Oil van Wang Bing documenteert op drie schermen, gedurende 14 uur, een uitputtende werkdag op een olieveld in de Gobiwoestijn. Dat maakt zijn film niet heel gemakkelijk te programmeren in een filmhuis.

Toch is werk van Bing ook geregeld te zien op filmfestivals. En niet al het werk voor een galerie of een museum bestaat uit zulke minimalistische, traag voortkruipende ‘slow cinema’. Het woeste, anarchistische werk Liquidity Inc. waarmee Hito Steyerl in Eye op de hedendaagse beeldcultuur reflecteert – met alle lelijkheid – duurt een half uurtje en is net zo onderhoudend en snel gemonteerd als menig bioscoopfilm.

Misschien zit het verschil er vooral in dat werk voor de bioscoop nog steeds uitgaat van een verhaal met een begin, midden en eind. Dat ontbreekt vaak in meer abstracte films voor de expositieruimte. Maar in Eye is momenteel ook Zama te zien – gewoon in een filmzaal – van de Argentijnse regisseur Lucrecia Martel. Dat is een film van geheimzinnige, soms indringende beelden van een aristocratische kolonisator die wegzakt in lethargie en angstdromen. Zo’n film zou ook als videokunstwerk goed tot z’n recht kunnen komen.

Tussen videokunst en film bestaat geen scherpe scheidslijn; eerder is er sprake van een glijdende schaal. Tot die conclusie komt de Amerikaanse regisseur en scenarist Paul Schrader. Hij heeft zich met zijn nieuwe film First Reformed gestort op de trage en contemplatieve filmstijl die hij al zijn leven lang bewondert. Toch was hij erop gespitst een film te maken die kan overleven in bioscopen. Daartoe heeft hij een heus model ontwikkeld, vertelt hij in het jongste nummer van het filmtijdschrift Cinemascope. Filmmakers die zich richten op beschouwelijke slow cinema, heeft hij ingedeeld in concentrische cirkels. Middenin de cirkel staat het verhaal. Dat is volgens Schrader de kern van film: een opeenvolging van beelden in een zinvol, narratief verband.

Dode tijd

Hoe verder een filmmaker zich van de verhalende kern van film verwijdert – door ruimte te nemen voor elementen als stilte, herhaling en ‘dode tijd’ – hoe scherper de randen van film in zicht komen. De uiterste grens ligt volgens Schrader bij het werk van de Russische cineast Andrej Tarkovski. Zijn films zoals Solaris en Stalker zijn nét verhalend genoeg om zich in de bioscoop te handhaven. Wie de Tarkovski-grens in Schraders ingenieuze schema passeert, zal de bioscoop niet meer halen, maar terechtkomen in een galerie of een museum. Fransman Bruno Dumont valt nog binnen de cirkel, Filippijn Lav Diaz valt er ver buiten. Schraders beoordelingen zijn natuurlijk niet spijkerhard. Maar interessant is zijn gedachte-experiment wel.

    • Peter de Bruijn